Hoor mij zwijgen

een zoektocht naar genezing van misbruik en mishandeling

Woord vooraf door Onno van der Hart

Dit buitengewoon indrukwekkende boek—het aangrijpende getuigenis van een overlevende van vroegkinderlijke chronische traumatisering—eindigt met: “Nu heb ik woorden om mijn verhaal te vertellen.” En wat voor woorden! En wat voor wereld gaat hierachter schuil. De wereld van een destructieve opvoeding, waarin de auteur echter ook al op heel jonge leeftijd een buitengewone taalvaardigheid ontwikkelde. Mede dankzij dit vermogen heeft zij een boek kunnen schrijven waarvan elke zin een enorme zeggingskracht heeft en met alle andere zinnen uiteindelijk een bijkans perfect maar tragisch geheel vormt.

Met dit boek wil de auteur lotgenoten met een geschiedenis van misbruik en mishandeling een hart onder de riem steken. Ze wil hen aanmoedigen om het zoeken naar een therapie die helpt niet op te geven als het zo moeilijk blijkt te zijn om goede hulp te vinden—wat nog maar al te vaak het geval is. En ze hoopt hulpverleners te bereiken; een hoop die ik ten zeerste met haar deel. Ze wil psychiaters, psychologen en verpleegkundigen een venster bieden op hoe het is om met een onherkenbaar geworden geschiedenis van misbruik en mishandeling aan een therapie te beginnen of een psychiatrische afdeling binnen te komen. In mijn ogen is ze daar geweldig in geslaagd. Het is te hopen dat de hulpverleners en de beleidsmensen om hen heen—die op dit moment geneigd zijn om juist op de hulpverlening aan de meest getroffenen te bezuinigen—dit boek zullen lezen en de moed zullen hebben om de uitdaging die zij biedt aan te nemen.

In haar kindertijd was het nooit goed, wat Janneke (de hoofdpersoon in het boek) ook deed—dat was juist de clou van de bejegening die haar ten deel viel. Voor de weergave van haar chronische traumatisering had ze heel lang geen woorden. Zeker ook omdat ernstige traumatisering zo vaak woordeloos ervaren wordt, maar—zoals zij zich pas na lange tijd realiseert—vooral omdat haar vader haar met de dood had bedreigd als ze er ooit over zou praten. De gevolgen: naast alle klachten, zoals angsten, depressies, slapeloosheid en diverse lichamelijke aandoeningen, lang niet kunnen beseffen dat ze misbruikt en mishandeld is, en als ze er beelden en dromen van krijgt die afdoen als rare fantasieën. Op de lagere school is er ogenschijnlijk niets aan de hand. Althans, op school merkt niemand er wat van. Maar vanaf het begin van haar gymnasiumperiode mist ze de aansluiting met de andere kinderen en gaat het steeds moeilijker met haar; voelt ze zich chronisch moe, vervreemd en slecht, en heeft ze voortdurend nachtmerries. Ondanks het feit dat ze ook kan genieten van muziek—ze is inmiddels op het conservatorium—verminderen haar klachten niet. Ze krijgt angstaanvallen en gaat beseffen dat ze er niet uitkomt. Medio jaren ’80 zoekt ze hulp en via de huisarts belandt ze bij de Riagg.

Hoor mij zwijgen is de getuigenis van haar zoektocht naar de verborgen waarheid van haar bestaan: “Ik moet weten hoe de puzzel eruitziet. Ik moet de waarheid weten. Ik wil leven, en ik heb de waarheid nodig om te kunnen leven.” Hierbij valt pijnlijk op hoe gebrekkig de hulp van zowel de ambulante als de intramurale geestelijke gezondheidszorg is. Janneke moet binnen een therapeutisch kader passen en behandelvormen ondergaan waar ze op z’n minst niets aan heeft en die haar veel vaker van de wal in de sloot helpen. Een voorbeeld van zo’n behandelvorm is haar opgedrongen intens lichaamsgericht werken dat op die manier alleen maar de traumatische herinneringen aan seksueel misbruik en mishandeling reactiveert. Mede door het onvermogen van behandelaars moet ze worden opgenomen, waarbij ze nog sterker tegen een muur van onbegrip oploopt. “Ik merk dat er een paar dingen zijn waar verpleegkundigen en psychiaters op de crisisafdeling slecht tegen kunnen, waar ze kwetsend en soms ronduit vijandig op reageren: automutilatie, suïcidaal gedrag en regressief gedrag. En laat ik nou net alle drie die kenmerken hebben.” Er is, kortom, in de geestelijke gezondheidszorg niemand die haar wezenlijk bijstaat bij haar zoektocht naar de verborgen waarheid van haar bestaan. Belangstelling bijvoorbeeld voor de redenen waarom ze zichzelf beschadigt, waarom ze een eind aan haar leven wil maken, wat er aan de hand is als ze regressief gedrag vertoont ontbreekt volledig. Als we één ding ondertussen geleerd hebben, is dat dergelijke vragen essentieel zijn om hulp te bieden die hout kan gaan snijden.

Echter, ook met een therapeut die zich zeer inzet om haar te begrijpen en voldoende hulp te bieden komt Janneke uiteindelijk niet verder, en zij voelt zich gedwongen zelf op zoek te gaan naar een aanpak van haar problemen die verbetering brengt. Ze vindt baat bij de zogeheten vier-stappen-methode van de Zwitserse psychotherapeut Konrad Stettbacher, die erop gericht is dat men met betrekking tot de problemen die men ervaart een viertal vragen tracht te beantwoorden. Terwijl ze hierbij, door gereactiveerde traumatische herinneringen, vaak door de hel gaat, slaagt ze er steeds beter in om de puzzelstukjes van haar bestaan in elkaar te passen. Ze schrijft een autobiografie met betrekking tot de manieren waarop haar moeder en vader met haar zijn omgegaan en de gevolgen hiervan voor de rest van haar leven. Een essentieel onderdeel van dit schrijven is dat ze hen als het ware ter verantwoording roept. Dit doet ze op indrukwekkende wijze; ik vermoed dat tal van lotgenoten zich hierdoor gesteund voelen en er inspiratie uit zullen opdoen. Vervolgens helpen andere zelfhulpboeken haar, in het bijzonder Op weg naar je ware zelf van Jean Jenson, wier bespreking van de diverse “excuses”, of ontkenningen van de werkelijkheid van het verleden, haar bijzonder aanspreekt, zoals “andere mensen hebben het veel erger gehad dan ik”, “ze hebben hun best gedaan”, “iedereen deed dat zo in die tijd”, “ik ben er sterk door geworden”. Dit helpt haar om deze excuses te herkennen en te weerleggen. Haar klachten verminderen hierna snel. Met behulp van deze zelfhulpmethodes lukt het Janneke om, zonder therapeut, in twee jaar tijd het grootste deel van haar problemen op te lossen.

Anno 2013 zou de auteur waarschijnlijk iets meer kans op een passende behandeling hebben. Maar ondanks toegenomen inzichten en onderzoeksresultaten en de ontwikkeling van richtlijnen voor de behandeling, blijft het behandelaanbod in kwantitatief opzicht schamel. Overal in het land worden lotgenoten met een geschiedenis van vroegkinderlijke chronische traumatisering die wanhopig op zoek zijn naar een instelling of therapeut die hen kan helpen van het kastje naar de muur gestuurd of lopen tegen dezelfde beschadigende bejegening op die de auteur in de jaren ’90 ten deel viel. En bij de instellingen waar zij in principe wel goed terecht zouden kunnen komen en waar men zich hun lot wel aantrekt, lopen zij in de regel tegen de lange wachtlijsten op.

Wat bestaat er aan inzichten en behandelvormen die in de jaren ’90 nog nauwelijks bekend waren? Het bestaan van de complexe posttraumatische stress-stoornis, waarop Judith Herman al in 1992 wees, wordt steeds meer onderkend en er zijn duidelijke behandelmodellen voor ontwikkeld. Voorts bestaat er veel kennis over de complexe dissociatieve stoornissen en de behandeling hiervan, die fasegericht is. Binnen deze kaders zijn specifieke behandeltechnieken ontwikkeld, waarvan ik de toepassingen van EMDR bij de integratie van de traumatische herinneringen apart wil noemen. En binnen deze behandelmodellen en binnen de veiligheid van de therapeutische relatie kunnen de technieken die de auteur uit de literatuur heeft gehaald en waarmee zij grotendeels in haar eentje zulk uitzonderlijk goed werk—maar tegen een enorme prijs—heeft gedaan uitstekend tot hun recht komen.

Op het moment dat ik het Woord vooraf schrijf is het bekend dat de auteur niet lang meer te leven heeft. Het publiceren van dit boek is iets wat zij graag nog wil doen in haar leven: “omdat ik mijn verhaal wil vertellen, omdat ik niet langer wil zwijgen, en vooral omdat al dit leed nog enige zin heeft gehad als ik met mijn verhaal anderen zou kunnen helpen.” Ik ben ervan overtuigd dat haar getuigenis anderen zal helpen. Ik ben er ook van doordrongen door het voorrecht dit te hebben mogen lezen dat zij door de ongelooflijke weg die zij is gegaan ook tijdens haar leven veel aan andere mensen heeft gegeven. Het zal velen intens verdriet geven als zij er niet meer is. Maar haar nagedachtenis zal tot zegen zijn.

Onno van der Hart
Emeritus hoogleraar psychopathologie van chronische traumatisering, Universiteit Utrecht
Auteur (samen met Ellert Nijenhuis en Kathy Steele), Het belaagde zelf: Structurele dissociatie en de behandeling van chronische traumatisering (2010)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s