Hoor mij zwijgen

een zoektocht naar genezing van misbruik en mishandeling

Deel 3: Puzzelstukjes op hun plek

Een reactie plaatsen

1996-2001

De deur

Mei 1996. Ziek. Ik lig op bed met koorts en een pijnlijke, opgezette keel, voor de zoveelste keer. Waarom? Waarom word ik toch steeds weer ziek? En waarom herstel ik daar zo moeizaam van? Waarom blijf ik steeds wekenlang ziek, om vervolgens een paar weken later weer ziek te worden?

Vandaag ben ik gevraagd om een middag in te vallen op de muziekschool, morgen. Heeft mijn ziekte daarmee te maken? Het zou kunnen — ik vind lesgeven moeilijk. In mijn studietijd waren mijn stages een ramp, al dagen van tevoren was ik doodsbang, elke keer weer. Weliswaar kon ik steeds op tijd de knop in mijzelf omdraaien en zogenaamd normaal functioneren, weliswaar heb ik de stages goed gedaan, maar ik kreeg er steeds een terugslag van met paniek en leegte. Lesgeven aan privéleerlingen ging de afgelopen jaren steeds beter, maar in deze eerste maanden van zelfhulptherapie heb ik nu al een paar keer invalwerk gedaan op een muziekschool en ben ik steeds kort daarvoor ziek geworden, elke keer kreeg ik keelpijn, koorts, “griep”. Waarom? Wat is er aan de hand met lesgeven dat ik er zo heftig op reageer?

Die nacht lig ik wakker en ga maar weer met therapie bezig. Welk onderdeel van het lesgeven is nou precies de trigger? Er is zo veel aan het lesgeven wat dat zou kunnen zijn. Bij het lesgeven moet ik praten, en dat is lastig voor mij. Ik ga hiermee bezig in de therapie, maar hoeveel ik ook verwerk rond het onderwerp “praten”, ik blijf ziek. Ik probeer een andere ingang. Lesgeven is iets wat ik eigenlijk niet wil, leren fluit spelen lijkt zo onbelangrijk vergeleken met de problemen waarmee ik worstel en ik zou mensen liever willen helpen met wezenlijker zaken dan met een luxe als fluit spelen. Het roept veel bij mij op, dat ik mijzelf dwing iets te doen wat ik niet wil, en ik gebruik de vier stappen erbij, maar ik blijf ziek. Ik kijk verder. In mijn verbeelding ga ik naar de lessituatie, naar de leskamer. Ik zie mijzelf lesgeven. Zorgvuldig kijk ik naar de dingen die ik daar doe, aandachtig kijk ik het leslokaal rond. Ik probeer waar te nemen waar ik op reageer. Niets lijkt veel gevoelens op te roepen. Ineens zie ik de deur, de deur waardoor een leerling binnen zal stappen, en ik voel hoe bang ik ben. Waarom ben ik zo bang voor die deur? Dan herinner ik me het beeld van de deur van mijn kinderkamer die opengaat in de nacht, en mijn doodsangst daarbij. En ik besef dat ik deze twee beelden door elkaar haal.

Ik slaap in het eerste kamertje rechts als je de trap opkomt. Dat is mijn slaapkamer vanaf dat ik anderhalf jaar oud ben, tot ik drie en een half ben.

Nog zo klein, ‘s nachts in mijn bedje. De deur gaat op een kier. Doodsangst. Ik ken dit. Verstijfd van angst lig ik in bed, doodstil, houd mijn adem in, hoop dat ik zo kan toveren dat het dit keer niet gebeurt. Hoop dat ik kan toveren dat hij niet komt. Angst, overweldigende, dodelijke angst.

Maar hij komt wel. Ik wil me ergens verstoppen maar kan nergens heen. Papa’s handen komen naar mij toe, tillen mij uit het ledikantje, zijn handen om mijn lijfje, handen in mijn zij. Ik ga de lucht in, machteloos. Papa drukt mij tegen zich aan, omklemt mij helemaal, houdt mij strak vast met zijn arm. Iets gaat vanonder bij mij naar binnen in mijn buik, iets groots en diks. Overweldigende, afschuwelijke pijn vanonder. Allesoverheersende pijn. Ik word verscheurd, verscheurende, moordende pijn. Niet doen, papa, niet doen. Doodsangst. Machteloosheid. Ik kan nergens heen. Volkomen hulpeloos overgeleverd. Papa is zo groot, zo sterk. Hoe kan ik tegen papa op? Papa is er altijd en overal. Ik heb papa nodig. Klein kind, papa nodig.

Waarom gebeurt dit? Waarom kom je, papa? Waarom doe je dit, papa? Papa, papa, ik snap het niet. Het kan niet papa zijn die dit doet. Kan niet, mag niet. Papa heeft dit niet gedaan. Papa is lief, bij papa ben ik veilig, dat moet, anders kan ik niet leven. Het is niet papa. Het is niet papa’s schuld. De deur heeft dit gedaan. De deur heeft papa binnengebracht. Het is allemaal de schuld van de deur.

Maar het was wel degelijk papa’s schuld. Papa, dit mocht niet, je had dit nooit mogen doen. Je deed mij pijn en maakte mij kapot. Het was niet goed. Ik had veilig moeten zijn.

Nu, nu ik zie dat ik vroeger de deur verantwoordelijk heb gemaakt, kan ik voor het eerst zien dat mijn vader verantwoordelijk was voor wat hij deed. Voor het eerst kan ik mijn vader als schuldige zien. Eerder heb ik dit steeds gezegd in de therapie, maar heb ik het nooit kunnen voelen. Nu kan ik dit voelen en de verantwoordelijkheid daar leggen waar hij hoort. Eindelijk kan ik de realiteit zien van wat er is gebeurd en daarmee afrekenen, voor zover dat in één keer mogelijk is.

Mijn keelpijn trekt onmiddellijk weg, en de koorts ook. Eindelijk ben ik een keer niet ziek terwijl ik lesgeef op de muziekschool — en dat word ik hierna ook niet meer. Voor het eerst heb ik een overwinning behaald op mijn eeuwige ziek zijn. “Deuren” zijn niet de enige trigger voor het ziek zijn, en ik besef dat ik nog veel moeite zal moeten doen andere op te sporen, maar de eerste overwinning is binnen en dat is heel belangrijk voor me.

Symptomen die erger worden

Op een ander terrein worden mijn overwinningen steeds schaarser: het doorslapen. Ik word weer elk uur wakker, en het lukt me niet meer om daar iets aan te doen. Ik heb ’s nachts ook veel pijn, vooral in mijn benen en buik, en steeds vaker heb ik last van heftige, onwillekeurige bewegingen van mijn onderlichaam als ik wakker lig in bed. Al met al slaap ik zo tegen de zomer van 1996 behoorlijk slechter dan toen ik eind december 1995 de therapie begon, en ben ik doodmoe. Dit is een grote tegenslag, ik had erop gerekend dat ik steeds beter zou slapen. Het is duidelijk dat ik in deze situatie niet de energie heb om ook maar een beetje te studeren, en teleurgesteld stel ik mijn plannen voor een studie uit tot na de zomer. Dan zal het toch zeker beter met me gaan.

Maar het wordt nog slechter. Aan het begin van de zomer lukt het ook niet meer om in slaap te vallen. Ik slaap vrijwel helemaal niet meer, en dat blijft zo. Alleen tijdens een week bij vrienden in Zweden slaap ik beter, maar eenmaal thuis houdt dat weer op. Elke nacht lig ik wakker. De hele nacht door schrik ik wakker vlak voor ik inslaap. De schaarse momenten dat ik slaap heb ik nachtmerries. Ik heb zere ogen en hoofdpijn van vermoeidheid, ik ben radeloos en uitgeput, en veel te moe om met therapie bezig te kunnen zijn. Maar ik besef ook dat ik dit probleem alleen met therapie kan oplossen, dus ik probeer zo goed en zo kwaad als het gaat toch uit te vinden wat er aan de hand is. Ik heb geen flauw idee waar en wanneer ik zelfs maar de aanleiding moet zoeken. Ligt die voor of na de vakantie? Ik heb immers in Zweden nog een keer vier uur achter elkaar geslapen. En de nacht nadat ik ben thuisgekomen ook. Ik kan er geen wijs uit worden. Ik probeer heel nauwkeurig alles na te gaan wat er zowel voor als in als na de vakantie is gebeurd. Ik verwerk veel wat heel zinvol is, maar het brengt geen slaap. Vaak denk ik dat het nooit meer goed zal komen met slapen en dat ik zal sterven van uitputting.

Ik worstel met de angst om dood te gaan, en met de angst om vermoord te worden. Ik begrijp niet waar die angst vandaan komt. Er zit wel vaak een zinnetje in mijn hoofd waarin mijn vader zegt: “Als je erover praat maak ik je dood.” Mijn angst om vermoord te worden probeer ik nu te verwerken met de herinnering aan dit dreigement. Maar dat helpt niets. Ik blijf afschuwelijke nachten houden waarin ik nauwelijks slaap, veel lichamelijke pijn heb, doodsbang ben en denk dat ik vermoord word.

Ik vraag me af of de pijn in mijn benen en het gevoel dood te gaan misschien te maken hebben met een val van de brandtrap van de flat toen ik twee jaar was. Het is me altijd wel verteld dat ik van die trap ben gevallen en dat mijn moeder mij daar heeft gevonden terwijl ik ondersteboven hing, met mijn voetjes klem tussen de treden. Bij die verhalen heb ik altijd een beeld voor me gezien waarbij ik voorover viel, maar in mijn nachtmerries val ik altijd achterover — een ijzeren trap, achterover vallen, doodsangst, denken dat ik ga sterven of dood ben. Ik vraag het na bij mijn moeder. Mijn dromen blijken te kloppen, ik ben achterover gevallen. In de therapie koppel ik nu mijn doodsangst en de pijn in mijn benen aan deze gebeurtenis. Maar dat werkt niet, het helpt me niet. Deze associatie klopt niet, de angst en de pijn gaan ergens anders over. Maar ik weet niet waarover.

Deze zomer valt de “film” in mijn hoofd mij ook vaak lastig. Bizarre, heftige beelden uit mijn fantasiewereld. Beelden over vastbinden. Beelden over pijn doen. Straf. Beter moeten worden. Moeten leren gehoorzamen. Martelingen. Pijn moeten leren verdragen. Ik probeer hiermee bezig te gaan in de therapie, maar dat blijkt erg moeilijk. Soms kan ik een paar dingen uit mijn fantasiewereld erkennen als echt gebeurd — de beelden van misbruik. Soms kan ik me losmaken van de bizarre fantasieën, kan ik de beelden loslaten en alleen met de gevoelens bij de beelden de vier stappen zetten. Vaak echter lukt het niet om in de therapie een uitweg te vinden uit die gevoelens en blijf ik vertwijfeld steken in volstrekte verwarring. Mijn gevoelens zeggen dat het goed is wat er in mijn fantasiewereld gebeurt. De man in de “film” zegt dat ook. Mijn verstand zegt me dat dat niet waar is en dat het vreselijke dingen zijn die in deze fantasiewereld gebeuren. Maar mijn verstand lijkt volkomen uitgeschakeld als ik in deze beelden terechtkom. De gevoelens overspoelen me, ik verdwijn erin. Fascinatie, ernaartoe getrokken worden, angst, heel veel angst, opwinding, een verlangen naar bevrediging, me er niet meer uit los kunnen maken, niet meer kunnen stoppen. Ik schaam me voor deze fantasieën. Ik schaam me voor mijn fantasieën over seks en geweld. Ik schaam me ervoor dat ik gefascineerd ben door seks en sadisme. Maar de beelden dringen zich onweerstaanbaar op, en ik voel een heftig verlangen mee te gaan in die beelden en kan niets anders voelen dan dat de pijn en de angst goed en fijn zijn. Hier heeft de therapie geen grip op.

En ik houd nachtmerries, in de schaarse momenten dat ik slaap. Mijn nachtmerries worden zelfs akeliger, beangstigender.

Ik probeer mijn vader in elkaar te slaan, een wanhopige poging om hem te bereiken. Dan bindt mijn vader mij vast en straft mij met elektrische schokken. Ik heb veel pijn en voel me bang en vernederd. Ik word wakker, en kan niet meer slapen, ik blijf bang, ik blijf denken dat de deur opengaat en mijn vader naast mijn bed staat.

Nachtmerrie over Joods zijn, nazi’s, vervolgd worden, in een getto opgesloten worden, te weinig eten, bang vermoord te zullen worden. Er is een scène waarin ik door een ruimte loop waar veel meer mensen zijn, allemaal daar bijeengedreven, allemaal bang. Er zit een man achter een bureau. Hij zal iemand aanwijzen. Iedereen houdt de adem in en bidt dat hij of zij het niet zal zijn. Ik loop naar de wc en hoop maar dat ik onopvallend ben, niet de aandacht trek. Maar ineens krijg ik een hevige elektrische schok, door mijn hele lijf van mijn hoofd naar mijn voeten. Het doet erg zeer. Ik heb brandwonden op mijn hielen maar ik moet gewoon doorlopen, ik moet naar de man, hij heeft mij aangewezen.

Nachtmerrie over Joods zijn, nazi’s, onderduiken, vluchten. Ik ben ondergedoken op een zolder maar word ontdekt. Ik kan me nog op tijd verstoppen in een schuilplaats die ik daar getimmerd heb maar ik ben daar niet veilig. Ik moet vluchten, stil zijn, vluchten. Er zijn mensen die me helpen. Ik verstop me op de wc. Nergens ben ik veilig.

Ik zit in de klas op de middelbare school, en zie beelden voor mijn ogen waarin ik lig te slapen, twee jaar oud. Papa komt binnen, ik slaap door. Hij gaat met zijn hand in mijn broekje. Ik word wakker van de pijn, de pijn vanonder, vanbinnen. Pijn, angst, machteloosheid. Ik huil om deze herinnering, en loop de klas uit. Een klasgenoot loopt achter mij aan, hij probeert mij te troosten maar dat maakt het alleen maar erger. Hij kan het niet aan, ik moet hem geruststellen, mijn tranen wegslikken en er voor hem zijn. Toneelspelen. Ik weet en voel dat het huilen goed is, dat ik rouw. Maar met mijn klasgenoot erbij kan het niet.

Ik droom dat ik straf krijg, ik ben in een opvoedingsinstituut en heb straf verdiend. Een man (papa?) neemt me mee naar het strafkamertje. Daar wordt een stok bij mij naar binnen gestoken, vanonder. Het is pijnlijk en hij beweegt ook steeds en dat maakt het nog pijnlijker. Ik moet daar zo mee blijven zitten tot de straftijd die ik verdiend heb over is. Ik heb pijn, ben verdrietig en bang en machteloos.

De vakantie loopt ten einde, en ik zie ertegen op mijn normale weekprogramma weer te beginnen. Hoe beperkt dat programma ook is, het is veel meer dan ik kan nu ik zo weinig slaap. Wat kan er nou toch gebeurd zijn aan het begin van de zomer? Waar ben ik tegenaan gelopen? Wat zie ik over het hoofd? Niets wat ik aan therapie doe brengt verbetering. Toch ga ik door met de therapie — ook al levert het nu niet op dat ik slaap, ik houd mijzelf maar voor dat wat ik in deze maanden doorwerk aan herinneringen me op de lange duur toch heus zal helpen.

Terwijl ik uitgeput op de bank lig probeer ik op een rijtje te zetten wat de ergste nachten zijn geweest van de laatste paar weken. Ik probeer te zien wat er die dagen daarvoor is gebeurd. Ineens besef ik dat dit alles is begonnen met het verwerken van één bepaalde herinnering. Deze herinnering heb ik doorgewerkt op de dag dat het slechte slapen begon, twee maanden geleden. De opname van die sessie heb ik een week geleden afgeluisterd, waarna ik een aantal gruwelijke nachten heb gehad. Steeds als ik aan deze herinnering denk krijg ik hevige pijn in mijn hartstreek, ben ik zelfs bang dat ik een hartaanval heb. Verscheurende, stekende pijn in mijn borst die doorstraalt in mijn linkerarm.

Tot nu toe heb ik de ervaring opgedaan dat de aanleiding voor het niet meer doorslapen nooit lag bij iets waar ik in een sessie mee bezig was geweest. In deze twee zomermaanden waarin ik wanhopig op zoek ben geweest naar wat er aan de hand kon zijn, heb ik daarom alles doorgewerkt wat maar te bedenken viel, maar heb ik nooit gekeken naar wat ik in de sessie had gedaan die dag dat mijn slaapprobleem was begonnen.

Het is een herinnering aan mijn vader. Ik ben zes jaar en zit in de eerste klas van de lagere school. Ik vind het leuk op school en alles gaat mij makkelijk af. Ik leer vanzelf en met plezier en doe niet speciaal mijn best — het komt niet eens bij me op om mijn best te doen. Schoolcijfers zeggen mij niets, ik ken er de betekenis niet van. Ik hecht dan ook geen waarde aan het kerstrapport waarmee ik thuiskom. Tot mijn vader het inkijkt en zegt: “Nou moet alleen ‘schrijven’ nog beter.” Ik heb voor schrijven een 7 op mijn rapport, voor alle andere vakken een 8 of hoger.

Ik heb dit nooit als een erg ingrijpende herinnering gezien. Ik heb hem altijd onthouden, maar me nooit herinnerd dat ik er gevoelens bij heb gehad. Wel ben ik daarna mijn best gaan doen op schrijven, en nog meer toen ik in de derde en vierde klas een onderwijzer kreeg die netjes schrijven buitensporig belangrijk vond — ik haalde toen meestal een 9½ voor schrijven, en had het gevoel gefaald te hebben als ik een 9 had. Eigenlijk was die 9½ ook niet goed genoeg en ik deed mijn uiterste best een 10 te halen. Ik ben nooit verder gekomen dan een 10ˉ.

Ik begrijp niet waarom ik nu, elke keer als ik de herinnering tegenkom aan mijn vaders reactie op mijn kerstrapport, reageer met absolute doodsangst en extreme lichamelijke verschijnselen. Als ik de herinnering zorgvuldiger ga doorwerken merk ik wel dat ik altijd heb gedacht dat mijn vader gelijk had. Ik dacht dat ik niet voldeed en geen bestaansrecht had met een 7 op mijn rapport. Ik dacht ook dat er geen andere reactie mogelijk was dan de reactie die hij gaf. Met heel veel moeite kom ik er nu in de therapie achter dat ik niet waardeloos ben en wel mag bestaan met een 7 voor schrijven. En dat er wel degelijk andere manieren zijn om op een schoolrapport te reageren dan te zeggen wat er beter moet. Dat is een intense opluchting en bevrijding.

Opgelucht na het verwerken van deze herinnering, verwacht ik dat ik de volgende nacht goed zal slapen, een patroon dat ik ken van eerdere keren dat ik heb opgespoord waardoor ik niet sliep. Maar dat gebeurt niet. Ik heb juist een extra afschuwelijke nacht, waarin ik niet slaap, radeloos en doodsbang ben en alleen nog maar denk: “Ik wil niet dood, ik wil niet dood…” Ik heb deze nacht erg pijn in mijn borst en erg pijn vanonder. Toch ben ik ervan overtuigd dat ik de goede herinnering te pakken heb gehad. Deze herinnering loopt als een rode draad door het niet-slapen van de afgelopen maanden. Waarom helpt het verwerken van deze herinnering niet? Waarom werkt het zelfs averechts? Ik snap er niets van.

Een paar dagen later krijg ik mijn handen vol aan iets anders — een financieel conflict met de Sociale Dienst. Mijn aanvraag voor vergoeding van eerder gemaakte therapiekosten is afgewezen. Overweldigd door machteloosheid, pijn, doodsangst en woede over de onrechtvaardigheid van dit alles, zoek ik een verklaring. Waarom heeft de Sociale Dienst dit besluit genomen? Ik heb iets fout gedaan bij het indienen van mijn aanvraag, denk ik. Het idee dat ik een fout heb gemaakt waardoor mijn aanvraag nu wordt afgewezen, het idee dat het mijn eigen schuld is, verhevigt mijn paniek en doodsangst. De vele dagelijkse kleine fouten roepen geen hevige reacties meer bij me op, maar “grote” fouten wel. De hele dag ben ik met therapie bezig om te zorgen dat ik hier niet in verdrink.

Ik ken deze reactie van mij op dit soort problemen maar al te goed. In het verleden is dit nogal eens uitgedraaid op het innemen van een heleboel pillen. Mijn reactie is nu net zo hevig, de gevoelens net zo onverdraaglijk als ze altijd zijn geweest tijdens een dergelijke crisis. Maar de therapie maakt dat ik er anders mee kan omgaan. Ook al voelt het niet zo, ik weet dat mijn gevoelens oud zijn en niet met de huidige situatie te maken hebben — de situatie van nu is niet erg genoeg om redelijkerwijs deze hevige reactie te kunnen veroorzaken.

Consequent, steeds weer, urenlang, zet ik de vier stappen met deze uitbarsting van gevoelens in mij. Ik spreek uit wat ik voel en denk, ik spreek alles uit wat er maar bij me opkomt, alles wat ik kan benoemen van de warboel van gevoelens en gedachten binnen in mij, van de orkaan die in mij rond raast: “Ik ben zo bang. Ik voel me zo machteloos. Het doet zo zeer dat ik geen geld krijg. Ik kan zo niet verder. Ik kan zo niet leven. Ik heb geld nodig om te kunnen leven. Ik wil leven. Het is niet eerlijk dat ik dit geld niet krijg. Ik voel me zo machteloos. Ik heb het niet verdiend dat jullie mij zo behandelen. Waarom krijg ik niet wat ik nodig heb om te kunnen leven? Waarom mag ik niet leven? Waarom mogen jullie wel leven en ik niet? Ik was echt niet voor niets in therapie. Jullie doen net of die therapie een luxe was, alsof de therapie niet echt nodig was. Maar dat is niet zo. Het ging echt heel slecht met mij. Ik had hulp nodig. Het is niet eerlijk dat ik daardoor ook nog eens problemen met geld krijg. Ik had ook wel graag gewild dat ik gezond was en kon werken, ik zou ook wel willen dat ik geld had voor dit soort uitgaven. Maar ik ben niet gezond en ik heb geen geld. Ik kan er niets aan doen dat ik ziek ben en therapie nodig heb. Ik kan er niets aan doen dat ik geen geld heb. Ik zou heel graag gezond zijn, maar ik ben het niet. Ik wil helemaal niet afhankelijk zijn van een uitkering, ik haat het om afhankelijk te zijn, maar ik heb geen keus. Ik heb jullie hulp nodig. Waarom helpen jullie mij niet? Ik voel me zo machteloos. Ik heb het geld nodig. Ik heb er wel recht op, ook als ik iets fout heb gedaan met aanvragen. Ik ben zo bang. Ik wou geen fout maken maar het is toch gebeurd. Ik ben zo vreselijk bang. Help me alsjeblieft. Jullie hebben alle macht en ik niets. Ik kan niet tegen jullie op. Jullie mogen mij niet zo afrekenen op fouten. Ik mag wel fouten maken. Het is niet waar dat ik geen fouten mag maken. Ik ben zo bang. Help me alsjeblieft om te blijven leven. Ik wil leven. Ik wil niet dood. Je mag mij niet doodmaken. Ik ben zo bang. Ik voel me zo machteloos. Ik kan nergens ontsnappen. Maar ik mag wel fouten maken. Ik mag leven, ook als ik een fout maak. Het is niet waar dat je mij mag doodmaken. Ik ben zo bang, ik wil niet dood, maak me niet dood, ik ben zo bang, laat me leven, papa, ik wil leven, ik ben zo bang, ik wil leven…”

Ik probeer te erkennen dat mijn gevoelens, gedachten en behoeftes niet bij nu horen, ik probeer ze als herinnering te beschouwen en mijn woorden naar het verleden te richten. Dat is lastig, maar ik besef dat dit het enige is wat mij hierdoorheen kan helpen. Ik probeer te zien wat uit het verleden is geraakt, maar ik kom er niet achter wat er aan de hand is. Wel kom ik in zoverre bij zinnen dat ik er na een aantal uren in slaag wat meer zicht te krijgen op de reële situatie van nu en hoe ik dit op een rustige manier moet gaan aanpakken om te proberen toch te krijgen waar ik, volgens mij, recht op heb — ook al heb ik dan iets niet helemaal goed gedaan bij de aanvraag.

Eén conclusie trek ik wel uit dit voorval, uit de heftige gevoelens die ik die dag heb, en ik schrijf in mijn dagboek: “Het verleden is gruwelijker dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden.”

Wonderbaarlijk genoeg slaap ik na deze dag ineens veel beter. Ook al heb ik dan niet de herinnering op kunnen sporen die hierachter zit, de dingen die ik gezegd heb terwijl ik die dag met therapie bezig ben geweest hebben kennelijk wel de spijker op de kop geslagen. Ik hoop dat het slapen nu goed zal blijven en steeds beter zal worden, zoals ik elke keer hoop en verwacht wanneer ik beter slaap. Dan ervaar ik slapen als zo natuurlijk en vanzelfsprekend, ik kan me niet voorstellen dat dit weer weg zal gaan. Dit is iets wat ik kan. Punt uit. Natuurlijk zal dit blijven. Helaas, dat is niet zo. Na een week slaap ik weer net zo slecht als in de zomermaanden. En weer kan ik er niet achter komen wat er aan de hand is of zelfs maar wat de aanleiding ervoor is. Duidelijk is in ieder geval dat ik voorlopig mijn energie nodig zal hebben om hier verbetering in te krijgen. Ik stop, teleurgesteld, mijn studieplannen in de ijskast. Ik heb mijn handen vol aan de paar activiteiten die ik al heb: af en toe concerten, een ochtend in de week vrijwilligerswerk op een peuterspeelzaal, mijn normale huishoudelijke verplichtingen en sociale contacten. Ik ben moe, en geregeld ziek.

Praten

Eind september besef ik dat mijn nachten het ergst zijn, met hevige angst en lichamelijke pijn, als ik de dag ervoor met iemand heb gepraat. Echt gepraat, niet alleen maar wat over koetjes en kalfjes gekletst. Tijdens de zomer is het makkelijker voor me geworden om te praten, iets wat altijd zo’n groot probleem voor me is geweest. Ik kan makkelijker over mijzelf vertellen. Soms zeg ik zelfs tegen iemand dat ik het niet met hem of haar eens ben, en dat is echt nieuw. Ik kan praten en reageren, het voelt wonderbaarlijk, en tegelijk vanzelfsprekend. Maar naderhand kan ik dan niet slapen en ben doodsbang.

Ik ga op zoek naar herinneringen die hiermee kunnen samenhangen. Ik denk aan het verbod van mijn vader om te praten, maar ik kan niets met deze herinnering, de herinnering staat ver van me af, ik voel me er onwerkelijk bij en ik lijk er niets mee op te schieten als ik hem doorwerk. Ook denk ik aan het niet mogen praten in de klas, die keer dat ik tijd had overgeslagen op de lagere school. Maar ook dat is een associatie waar ik weinig mee kan en die ik laat schieten.

De meeste andere herinneringen gaan over mijn moeder, en daarmee voel ik wel contact. Zij heeft vaak negatief gereageerd als ik iets vertelde. Als ik vertelde dat ik me ziek voelde of pijn had, was haar reactie dat het niets voorstelde, dat andere mensen er veel erger aan toe waren dan ik, en dat ik een slecht, egoïstisch kind was omdat ik aandacht voor mijzelf vroeg. Als ik enthousiast iets aan een vriendinnetje wilde laten zien, werd mijn moeder ook boos en zei ze ook dat ik egoïstisch was en te veel aandacht vroeg — ik moest alleen volgen wat mijn vriendinnetje leuk vond en wilde. En als ik “nee” zei op iets wat mijn moeder wilde, reageerde ze afwijzend en vijandig, of teleurgesteld en verdrietig — waarom deed ik haar dit aan? Het lijkt nogal logisch dat ik op deze manier heb afgeleerd om iets over mijzelf te vertellen of vanuit mijn eigen gevoelens te reageren op een ander. Ik probeer nu deze herinneringen te verwerken en op te komen voor mijn recht om over mijzelf te praten en een eigen mening, eigen voorkeuren en eigen belangen te hebben.

Ondertussen heb ik ook moeilijkheden in het huidige contact met mijn moeder. Ik kan er niet meer tegen dat ze mij elke week belt en dan een uur of meer over haar problemen praat of over zaken waar ik niets mee heb (koetjes en kalfjes, haar buren, de kennissen van de kennissen van de buren) terwijl ik nooit aan het woord kom. Ik kan er niet meer tegen dat ze steeds maar zegt dat ze mij zo nodig heeft, dat ze steeds maar zegt dat ze het zo nodig heeft om mijn stem te horen maar ondertussen nooit vragen aan mij stelt, nooit iets over mij wil weten. Ik kan er niet meer tegen dat we nooit over dingen praten die mij interesseren, maar dat ik wel elke week weer een uur meelevend moet luisteren en belangstelling moet tonen voor haar verhalen. Ik kan er niet meer tegen dat ik zelf niets vertel.

Een maand lang neem ik de telefoon niet meer op uit angst dat zij het zal zijn. Ik kan het niet meer verdragen om haar te spreken, en ik voel me niet in staat om haar dat te vertellen. Ze laat boodschappen achter op mijn antwoordapparaat waarin ze steeds bozer wordt omdat ik de telefoon niet opneem en niet terugbel. Maar ik heb tijd nodig om uit te zoeken hoe ik deze situatie moet aanpakken en om herinneringen te verwerken. Ik heb steeds gedacht dat het geduldig verdragen van haar telefoontjes volwassen gedrag was, maar nu besef ik dat dit helemaal geen volwassen gedrag is. Dit is het gedragspatroon van mijn kindertijd. Tegelijkertijd besef ik ook dat razend worden en haar niet meer willen spreken ook gedrag is dat voortkomt uit mijn kindergevoelens.

Ik probeer in een paar weken tijd zo veel van mijn herinneringen aan haar te verwerken als mogelijk is. Ik probeer zover te komen dat ik op een volwassen manier tegen de huidige situatie aan kan kijken, en die situatie op een volwassen manier kan hanteren. Na een paar weken voel ik me sterk en volwassen genoeg en bel ik haar, half oktober. Ik zeg dat het zo niet door kan gaan, dat ik wel contact met haar wil maar niet zo vaak als zij kennelijk wil. En dat ik de manier waarop we met elkaar omgaan en de inhoud van onze telefoongesprekken niet prettig vind. Ik zeg dat ik het gevoel heb dat er in de gesprekken geen aandacht is voor mij en voor hoe het met mij gaat, en dat ik mij daar niet goed bij voel.

Het wordt een lang gesprek. Mijn moeder is boos en op sommige momenten ronduit bot, wat me duidelijk maakt dat mijn herinneringen aan haar niet overdreven zijn. Als ik iets begin te vertellen over hoe het nu met mij gaat (wat ik anders nooit doe) zegt ze: “Zullen we nu maar ophangen dan?” Ze wil mij niet horen en kan geen belangstelling of medeleven tonen. We komen niet tot een overeenstemming, noch begrijpen we elkaar. Uiteindelijk zeg ik haar dat ik weet dat ik niet kan verwachten dat zij zal veranderen, maar dat ik wel zal veranderen en dat ik het in het vervolg zal zeggen als mijn hoofd niet staat naar een telefoongesprek met haar. Ik zeg haar dat het belangrijk voor mij is om goed voor mijzelf te zorgen. Hierna voel ik me opgelucht en kan ik de telefoon weer opnemen. Later hebben we nog een gesprek, dat beter verloopt. Ik slaap een tijdje beter, maar nog steeds slechter dan de winter ervoor.

Het intensief verwerken van al deze herinneringen aan mijn moeder rondom “praten” maakt dat praten me steeds gemakkelijker afgaat. Ik ben minder bang. Maar de reactie met extreme angst nadat ik met iemand heb gepraat blijft bestaan en ik ga weer slechter slapen. Het blijft hetzelfde verhaal: niet inslapen, niet doorslapen, angst, wanhoop, lichamelijke pijn en nachtmerries. Af en toe is het een of twee nachten iets beter, maar het grootste deel van de tijd is het een puinhoop.

Hoofdpijn

Begin november ’96 boek ik wel weer een succes in de strijd tegen het ziek zijn. ’s Nachts word ik wakker met een opgezette, pijnlijke keel. Ik weet dat dit normaal gesproken betekent dat ik de komende paar weken ziek zal zijn. Ik besluit om maar meteen met therapie bezig te gaan in plaats van te proberen weer in slaap te vallen, ook al heb ik nog niet veel geslapen en moet ik ‘s ochtends naar de peuterspeelzaal.

Misschien heeft mijn ziek zijn te maken met een vriendin bij wie ik ’s middags ben geweest — de vorige keer dat ik haar heb gezien ben ik ook de nacht erna ziek geworden. Toen is het me niet gelukt op te sporen waarom dit gebeurde en ben ik drie weken ziek geweest. Ik probeer na te gaan wat me geraakt kan hebben en wat de link met het verleden kan zijn. Ik zie allerlei verbanden en werk die door. De keelpijn wordt niet erger, wat het normale patroon geweest zou zijn, maar er treedt ook geen spectaculaire verbetering op zoals die keer in juni. Ik heb niet het gevoel dat ik de echte oorzaak vind.

Ik besluit wel naar de peuterspeelzaal te gaan die ochtend, en dat lukt, al voel ik me wat gammel. Aan het eind van de ochtend ga ik de keelpijn weer erger voelen. Terwijl ik met de kinderen bezig ben denk ik aan wat ik in de therapiesessie die nacht heb doorgewerkt, en ineens gaat me een lichtje op. Er schiet me een herinnering te binnen, een herinnering aan mijn moeder, en ik heb sterk het idee dat die achter deze keelpijn zit. De vriendin bij wie ik de vorige dag ben geweest heeft regelmatig last van hevige hoofdpijn, en zowel deze keer als de vorige keer dat ik haar heb gezien, heeft ze daarover verteld. Dat heeft bij mij een herinnering geraakt.

Ergens in mijn middelbareschoolperiode. Ik vertel aan mijn moeder dat ik vaak erge hoofdpijn heb. Hoofdpijn die nooit lang duurt, maar wel heel pijnlijk en beangstigend is, pijnlijke steken in mijn hoofd, vooral ‘s ochtends vroeg. Mijn moeder zegt dan dat zij vroeger toch zo’n vreselijke hoofdpijn heeft gehad, ze beschrijft hoe die voelde en ze vraagt of dat hetzelfde is als wat ik voel. Nee, het is anders. “Nou, wees maar blij want dat was verschrikkelijk.” En dat is ook het enige wat ze er nog over zegt. Ze vraagt er niet meer naar, besteedt er geen enkele aandacht aan, en loopt weg. Ik blijf achter met de pijn — en de extra pijn en eenzaamheid omdat zij mij in de steek laat, terwijl ik wel aandacht voor haar moet hebben. Ik denk dat ik niet meer om hulp mag vragen, en ik trek de conclusie dat ik maar moet vinden dat mijn hoofdpijn niet erg is.

Mama, waarom heb je geen aandacht voor mijn pijn? Waarom denk je alleen maar aan jezelf? Waarom moet ik er voor jou zijn? Waarom help je me niet? Ben ik niet belangrijk voor jou? Wil je niet dat mijn hoofdpijn overgaat? Interesseert het je niet hoe ik me voel? Hoe kan dat nou toch, mama, je bent toch mijn moeder? Dan moet je mij toch helpen? Ik heb geen andere moeder, ik heb alleen jou en jij moet mij helpen. Je moet naar mij luisteren en me serieus nemen en met mij naar de dokter gaan. Mama, waarom doe je dat niet? Ik heb een mama nodig die voor mij zorgt. Mijn hoofdpijn is wel erg, mama, en ik heb jouw aandacht nodig.

Mijn keelpijn trekt weg. Ik word niet ziek deze keer.

De film

Ik kom nu ook een andere aanleiding tegen voor angstige nachten: mijn nachten zijn het ergst als ik iets heb gelezen over incest of er iets over heb gehoord op radio of televisie, en wanneer ik op televisie iets heb gezien over een moord of iemand die het gevaar loopt vermoord te worden. Nu ik dit patroon zie ga ik in de therapie meer aandacht besteden aan het verwerken van mijn herinneringen aan seksueel misbruik.

Begin december 1996 realiseer ik me dat de angst die me opbreekt als ik over mijzelf vertel wel degelijk bij het dreigement van mijn vader hoort: “Als je erover praat maak ik je dood.” Ik voel de angst nu ook terwijl ik vertel, ik zit te trillen van angst, en ik voel duidelijk dat ik bang ben voor mijn vader, bang omdat ik tegen zijn verbod in ga, bang dat hij mij nu zal vermoorden. Niet alleen ben ik bang als ik vertel over misbruik — dat doe ik vrijwel nooit — simpelweg vertellen, wat dan ook, voelt levensgevaarlijk. Doordat ik het verband met mijn vaders dreigement voel, kan ik die angst nu wel aanpakken met behulp van de vier stappen.

De angst voor mijn vaders dreigement voel ik op zolder, waar ik sliep toen ik tussen de drie en een half en de vijf en een half jaar oud was. Maar ik heb geen herinneringen aan misbruik op zolder. Alleen van de twee jaar daarvoor heb ik herinneringen aan misbruik, in het kamertje op de eerste verdieping waar ik toen sliep. Wat is er dan op die zolder gebeurd? Waarom heb ik daaraan geen herinneringen en aan die eerdere periode wel? Dat lijkt niet erg logisch. Ik heb ook het gevoel dat mijn vaders dreigement dat hij mij dood zal maken als ik “erover praat”, niet slaat op het seksueel misbruik waaraan ik herinneringen heb. Hij heeft mij dit een andere keer, bij een andere gelegenheid, gezegd. Wat was het waarover ik niet mocht praten? Waar ben ik zo bang voor? Ik heb geen idee.

Dezelfde financiële kwestie waarvan ik in september zo overstuur ben geraakt speelt half december weer. Ik krijg papieren opgestuurd met de aankondiging van een hoorzitting, en ik neem contact op met het Buro Sociaal Raadslieden dat me hiermee helpt. Hoewel de kwestie anders blijkt te liggen dan wat ik zelf had gedacht over de “fout” die ik had gemaakt, ben ik wel weer van slag. Ik heb er enorm de pest over in dat deze situatie me nu weer lastig komt vallen. Ik heb net mijn vaders dreigement beseft met alle gevoelens die dat oproept, mijn dagelijks leven is me al te veel, ik ben moe en kan er niets meer bij hebben. Ik kan dit niet. Ik kan het niet aan. Het is niet eerlijk. Maar het ligt er, ik heb geen keus, en het enige wat ik kan doen is mijn heftige reacties erkennen als herinneringen, proberen duidelijkheid te krijgen over wat er speelt en mijn herinneringen verwerken.

Direct als ik de papieren krijg word ik erg bang, en misselijk. Ik ben bang dat ik flauw zal vallen, zoals een maand eerder is gebeurd toen ik op straat fietste. Vervolgens voel ik me overweldigend moedeloos, hopeloos en machteloos. Ik trek toch altijd aan het kortste eind, het heeft geen zin me te verzetten. Ik trek me terug, ga “naar de kleuren”. De nachten en dagen daarna worden moeilijk. Angst en pijn, pijn in mijn borst en pijn vanonder en heftige bewegingen van mijn lichaam. Een beangstigende doodsheid in mijn lichaam, die erger is dan ik eerder heb gehad. Het voelt alsof mijn lichaam opgezet is, opgeblazen is, alsof ik veel meer ruimte inneem dan anders. En tegelijk alsof ik leeg ben, dood ben. Alsof mijn lichaam uitgedijd is, mijn grenzen opgeschoven, maar ook vervaagd, zonder grenzen, zonder lichaam. Op sommige momenten lijkt mijn lichaam in allemaal gasbelletjes uit elkaar te vallen en zich door de hele kamer te verspreiden. Het voelt afschuwelijk. Ik heb geen grip op deze verschijnselen, ik weet niet met welke gebeurtenissen al deze gevoelens en symptomen te maken hebben en ik kan er niet effectief mee afrekenen in de therapie.

In een slapeloze nacht met dat gruwelijke, dode, opgeblazen gevoel in mijn lichaam en pijn vanonder, probeer ik weer te achterhalen wat er aan de hand is. Ik probeer een aantal associaties en als die geen slaap opleveren ga ik verder. Eén ding besef ik duidelijk door hoe mijn lichaam voelt: er is iets heel vreselijks met mij gebeurd — ik weet niet wat, maar het was vreselijk. Dat zinnetje blijft door mijn hoofd spoken: “Er is iets heel vreselijks met mij gebeurd.”

Mijn “andere wereld” steekt de kop op, de “film” in mijn hoofd dringt zich weer op. Ik probeer bezig te gaan met de gevoelens die ik in de “film” heb, zoals ik dat steeds probeer in de therapie als ik in mijn “andere wereld” terechtkom. Maar ineens kijk ik niet alleen naar mijn gevoelens maar ook naar de inhoud van mijn fantasiewereld. De beelden van mijn “andere wereld”, mijn dromen over mijn “andere wereld”, de pijnlijke samentrekkingen van mijn lichaam die maar doorgaan en doorgaan, het past in elkaar en wijst in de richting van mishandeling die werkelijk is gebeurd. Ik neem het mijzelf kwalijk dat ik zoiets durf te denken, dat ik durf te denken dat zoiets bizars als mijn “andere wereld” echt gebeurd zou kunnen zijn. Tegelijk ben ik opgelucht. Ik ga, heel voorzichtig, vanuit dit standpunt met de therapie bezig. Maar als ik ’s ochtends opsta laat ik dit idee weer schieten. Het nuchtere daglicht vertelt mij dat dit echt niet kan. Dit kan niet waar zijn. Deze beelden kunnen beslist alleen maar bizarre fantasieën zijn. Ik eindig met de conclusie: laat ik het er maar op houden dat er vreselijke dingen met me gedaan zijn. Ik weet niet wat, maar het was heel erg en hier ergens lijkt wel het spoor ernaartoe te liggen.

Ik moet ook denken aan wat mijn vader tegen de dominee heeft gezegd: dat hij vreselijke dingen heeft gedaan. Dezelfde woorden die ik nu gebruik. Ik moet ook denken aan het boek In den beginne was er opvoeding van Alice Miller, dat ik tien jaar eerder aan mijn moeder heb uitgeleend toen ik probeerde haar duidelijk te maken hoe ik me voelde, en dat toen spoorloos verdween — mijn moeder kon het nergens meer vinden. Vermoedelijk had mijn vader het weggegooid, maar waarom? Het boek gaat over ernstige kindermishandeling, en nu ik met deze beelden bezig ben, begint het me te dagen waarom dit boek verdwenen is.

De volgende dag is de hoorzitting over mijn conflict met de Sociale Dienst. Daar heb ik mijn handen vol aan. Ik ben bang en ik voel me klein, ik zit zachtjes te huilen en zeg steeds maar in mijzelf: “Je mag me niet doodmaken, je mag me niet doodmaken…” Ik probeer zo veel als ik kan de therapie te gebruiken om overeind te blijven en de hoorzitting door te komen. De nacht erna lig ik uren en uren en uren te huilen. Waarom? Waarom ben ik zo van streek? In de therapie kijk ik naar alles wat er in de hoorzitting is gebeurd, maar dat helpt niets. Ik probeer een andere ingang te vinden voor de therapie, ik probeer nauwkeurig de boodschappen van mijn gevoelens en mijn lichaam te observeren. De spanning die het geeft dat de wekker onverbiddelijk zal aflopen terwijl ik dat niet wil en terwijl ik nog niet heb geslapen. Uit bed moeten — ik kan niet ik kan niet. Machteloosheid. Extreme angst. Overgeleverd zijn. Niets te zeggen hebben. Moeten. Angst. Paniek. Spanning. Niet kunnen overleven. Niet kunnen overleven. Doodgaan. Niet dood willen. Geen kans hebben. Geen hulp. Geen kans. Het gebeurt. Kan nergens heen nergens heen. Overgeleverd aan een waanzinnige.

Dan begint de “film” in mijn hoofd weer.

De man zegt: “Kleed je uit.”
Ik wil niet wil niet wil niet.
“Als je het niet doet, moet ik je meer straf geven”, zegt de man.
Hij zegt ik moet op het bed gaan liggen.
Zo verschrikkelijk bang. Kan nergens heen, de man is sterker.
Moet gehoorzamen, naar het bed lopen. Doet zo zeer vanbinnen.
Ik moet wel moet wel.
Man bindt mij vast. Aan mijn polsen, aan mijn enkels.
Kind machteloos, machteloos, doodsbang, vernederd, verraden.
Man doet draad op mij, in mij.
Schokken door mijn lijf. Elektrische schokken.
Pijn, dodelijke pijn.
Niet doen niet doen, stoppen.
Mag geen geluid maken.
Stil volhouden. Volhouden tot voorbij is.
Maar kan niet meer kan niet meer niet meer. Zo pijn. Houd niet uit.
Stop toch Stop toch Kan niet meer Zo pijn.
Gaat alsmaar door Kan niet meer.
“Als je erover praat maak ik je dood.”

De man zegt, dit moet allemaal om mij beter te maken. Ik moet het goed doen. Als ik niet stil ben, dan moet ik meer pijn krijgen. Tot ik het geleerd heb.

Het is een geheim, ik mag er niet over praten. Maar alle kinderen krijgen dit. Het moet nou eenmaal.

Deze nacht, terwijl deze film in mijn hoofd rond maalt, worstel ik met de gevoelens van mijn “andere wereld”. Mijn gevoelens, die zeggen dat het goed is wat er gebeurt in deze beelden. Ik geloof wat de man zegt, ik vind het nodig wat er gebeurt, dit is iets wat een kind nodig heeft om beter te worden, een verdiende straf voor een slecht kind, een noodzakelijke behandeling om goed te worden. Ik geloof alles over wat er met kinderen gedaan moet worden om beter te worden, om geen fouten meer te maken. Ik vecht nu tegen deze ideeën, ik vecht in de therapie tegen mijn gevoelens, ik vecht om af te keuren wat er in de “film” gebeurt.

Dan krijg ik weer lichamelijke verschijnselen, schokken in mijn onderbuik. Extreme angst, pijn, verbijstering. Weer besef ik: er is iets gruwelijks gebeurd. Een waanzinnige heeft iets gruwelijks met mij gedaan.

Na een worsteling van heel veel lange uren kom ik uit bij dezelfde conclusie als de nacht ervoor: wat er gebeurt in die “film” in mijn hoofd is echt met mij gedaan. Door mijn vader. Thuis, op zolder. Mijn vader heeft mij vastgebonden en elektrische schokken toegediend. Ik huil en huil en huil. Het onvoorstelbare is echt gebeurd. Deze keer stop ik dit besef niet weer weg als ik ’s ochtends opsta.

Ik ga wel naar de peuterspeelzaal, ook al heb ik maar een half uur geslapen en een angstige, inspannende nacht gehad. Gezien de omstandigheden functioneer ik goed. Ik voel me verbijsterd over de totaal andere wereld waarin ik nu ben, het lijkt onwerkelijk wat ik ‘s nachts heb doorgemaakt, maar ik blijf beseffen dat het waar is. Ik zie de kinderen om me heen die van dezelfde leeftijd zijn als ik was toen dat met mij gebeurde — en ben nog meer verbijsterd. Het is onbegrijpelijk wat mijn vader met mij heeft gedaan. Werkelijk onvoorstelbaar gruwelijk. Kleine kinderen, afhankelijk, kwetsbaar, machteloos. Mooie, levende mensen. Kostbare schepselen.

De volgende nacht slaap ik goed, eindelijk weer eens. Ik heb het gevoel dat heel veel puzzelstukjes nu eindelijk op hun plaats vallen. Dat ik eindelijk begrijp waar al die hevige symptomen vandaan komen. Dat ik eindelijk begrijp waar mijn vaders verbod om “erover” te praten over ging, eindelijk begrijp wat mijn slaapproblemen veroorzaakt, wat die vreemde pijnlijke samentrekkingen van mijn lichaam zijn, waarom ik zo’n pijn in mijn borst heb, in mijn hart, waarom ik vaak zo’n buikpijn heb en misselijk ben, waarom ik flauwval. Waarom ik bij de minste of geringste lichamelijke inspanning in de problemen kom, waarom ik altijd maar uitgeput ben en zo vaak ziek ben en koorts heb. Waarom mijn vader mij altijd is blijven vertellen dat “mensen zich niets kunnen herinneren van voordat ze zes zijn” — wat niet waar is, want ik heb nog heel veel herinneringen aan mijn kleuterschool, maar wat kennelijk heel belangrijk voor hem was om steeds weer te zeggen, twintig jaar lang. Waarom hij mij vertelde dat “mensen zich pijn niet kunnen herinneren”. Nu begrijp ik waarom mijn vader aan de dominee heeft verteld dat hij heel erg schuldig was. Dat was hij zeker…

Ik herinner me ook dat ik een paar jaar eerder al eens ben gaan vermoeden dat dit echt gebeurd is, dat wat er gebeurt in de “film” in mijn hoofd en in mijn dromen, iets is wat ik echt heb meegemaakt — mishandeling met elektriciteit. Ik vertelde dat in een therapiesessie, en Robert heeft het me ogenblikkelijk weer uit het hoofd gepraat. Dat was onzin, dat kon niet, dat waren fantasieën, symbolische fantasieën. Ik heb het toen maar weer weggestopt en ben die “film” in mijn hoofd inderdaad weer gaan zien als fantasieën, macabere fantasieën, symbolisch voor andere vormen van mishandeling en misbruik, zoals ik eerder altijd al had gedacht. Maar ergens is er wel een besef gebleven dat er iets niet klopte aan deze verklaring. Ik vind het nu verbazingwekkend hoelang ik erover heb gedaan om weer bij mijn eerdere conclusie uit te komen.

Wie zal mij geloven?

Ik heb het moeilijk, nu ik deze beelden als herinneringen heb erkend. Ik heb zo veel pijn, pijn in mijn hele lichaam, pijn in mijn hart, stekende pijn vanonder, buikpijn, ik ben misselijk en heb het gevoel dat ik weer ga flauwvallen. Ik ben rood en heet, mijn huid gloeit, vooral in mijn gezicht, zonder dat ik ziek ben of koorts heb. Mijn lijf voelt rauw, beschadigd. Ik kan niet meer stoppen met huilen, maar huilen doet zeer omdat mijn buik dan beweegt. Ik heb pijn in mijn rechterpols, en kan die soms niet gebruiken. En ik ben zo bang, zo verschrikkelijk bang.

Toch krijg ik het voor elkaar om het hoofd boven water te houden. Ik ben ondertussen ervaren genoeg in het werken met de vier stappen om dit aan te kunnen. Ik gebruik de stappen bijna automatisch en bijna doorlopend, zowel overdag als ‘s nachts in de nachtmerries die ik heb over wat er is gebeurd. Ik slaap veel beter dan ik deed voor ik deze herinneringen erkende. Ik functioneer redelijk normaal. Weliswaar voel ik me beroerd en huil ik veel, maar verder kan ik de normale dagelijkse dingen doen. Ik heb nieuwjaarsconcerten met het orkest en dat gaat zonder problemen.

Maar ik kan weinig hebben. Tijdens een busreis word ik misselijk, en dat roept angst en pijn op en ik kom huilend uit de bus. De lichamelijke inspanning van een eindje schaatsen maakt me misselijk, uitgeput, bang en wanhopig, nog meer dan altijd al gebeurde. Een warm bubbelbad voelt als een foltering, en gewoon een warm bad zet ook herbelevingen in gang.

Ik heb er zo’n behoefte aan om terecht te kunnen bij mensen die weten wat het is wat ik nu doormaak. Het verleden is zo onbegrijpelijk wreed en beangstigend. Het doet zo zeer. Ik heb behoefte aan opvang, aan steun, aan leiding. Maar die is er niet. Ik fantaseer over hulp zoeken, een therapeut zoeken, maar ik herinner me maar al te goed wat ik tot dan toe heb meegemaakt met therapeuten en besef dat ik mijzelf in gevaar zou brengen als ik daadwerkelijk hulp zou zoeken. Ik kan nu niet het risico nemen een therapeut te treffen die mijn geschiedenis ontkent. Ik ga er maar van uit dat mijn behoefte aan hulp een kinderbehoefte is, dan is het tenminste hanteerbaar. Dringende behoefte aan veiligheid — maar ik ben nu veilig.

Als ik er dan maar met anderen over kon praten, als ik er niet meer helemaal alleen mee zou zijn, als ik mijn vrienden kon vertellen over mijn herinneringen, dat zou zo veel schelen. Ik heb er zo’n behoefte aan om te vertellen. Maar ik durf niet. Nu! denk ik in een gesprek. Nu ga ik het vertellen — maar ik doe het dan toch niet, en de volgende keer gaat het net zo. Ik vertel wel dat er heel nare herinneringen bovengekomen zijn, maar ik vertel niets over de inhoud. Het is te pijnlijk en te beladen, ik krijg de woorden niet uit mijn mond. En mijn verhaal is te bizar. “Niemand zal mij geloven”, spookt steeds door mijn hoofd. Ook heb ik in de loop van de jaren ervaren dat mensen soms kunnen reageren op een manier die pijn doet. Soms, als ik iets had verteld over mijn problemen, voelde ik me daarna nog naarder. Soms had ik maar liever niets verteld, ook al bedoelden mensen het wel goed.

Dat gebeurt nu ook weer als ik, kerst 1996, probeer mijn zwager te vertellen waarom ik zo moet huilen, als ik wil vertellen wat ik de week ervoor heb doorgemaakt, wat ik gezien en gevoeld heb van wat er met mij als kind is gebeurd. Nog voor ik mijn verhaal ben begonnen slik ik mijn woorden in door zijn goed bedoelende maar afwerende reactie op mijn huilbui. Een vriendelijk: “Joh, word eens een beetje rustig”, in plaats van: “Huil maar, het is goed, huil maar zo lang als je nodig hebt, vertel maar en huil maar, ik blijf bij je”, waar ik zo’n behoefte aan heb. De vraag waarnaar ik zo verlang: “Wil je vertellen wat er is gebeurd?” komt niet. Ik vertel niets. En ik verlies mijn gevoelens. Ik voel me leeg en wanhopig, ik voel me afgesneden van mijzelf, afgesneden van mijn gevoelens en mijn geschiedenis.

Ik durf niet meer te proberen mijn verhaal nog aan een ander te vertellen. Wel schrijf ik in januari brieven aan de vrienden in Zweden bij wie ik in de zomervakantie heb gelogeerd, waarin ik vertel hoe het me vergaan is sinds de zomer en wat ik ben gaan beseffen over mijn geschiedenis. Schrijven gaat me makkelijker af dan praten, en dat ze ver weg wonen maakt dat het veiliger voelt. Bovendien zijn het allebei goede vrienden, die ik al veel over mijzelf heb verteld. Van de één krijg ik een begrijpende en steunende brief terug. Van de ander hoor ik niets.

Ook maak ik een afspraak bij mijn huisarts, omdat ik mij onzeker voel of mijn lichamelijke klachten (met name de pijn in mijn borst en mijn arm) een lichamelijke oorzaak hebben of door herinneringen worden veroorzaakt. Dat betekent dat ik de huisarts moet vertellen waar die herinneringen over gaan. Dat lukt me niet. Ik begin te huilen. Omdat ik dit al verwachtte, heb ik thuis het een en ander opgeschreven. Dat laat ik de huisarts nu lezen. Ik tref niet mijn eigen huisarts maar een invaller. Hoewel ze vriendelijk reageert, is het me niet duidelijk of ze me gelooft of niet, en ik merk dat dat belangrijk voor me is. Ik heb niet de moed om ernaar te vragen. Een lichamelijke oorzaak is er in ieder geval niet.

Niet echt, wel echt

Sinds het mislukte gesprek met mijn zwager met kerst voelen de herinneringen van mijn “andere wereld” onwerkelijk. En niet alleen mijn herinneringen, alles voelt onwerkelijk — ikzelf en de wereld om mij heen. Ik voel me leeg en ver weg van mijzelf, alsof het niet waar is wat ik mij herinner, alsof ik afgescheiden van mijzelf leef. Alsof ik niet degene ben die dit alles heeft meegemaakt. Alsof ik niet meer leef. Wel heb ik nog erg veel last van lichamelijke herbelevingen, krampachtig schokken van mijn lichaam, urenlang. Soms heb ik pijn in mijn hele lichaam, het gevoel dat mijn lichaam vanbinnen vermorzeld is, een vermorzelde brij, alles uit zijn verband geraakt en los van elkaar geraakt, alle stukjes pijnlijk van elkaar gescheurd en geen grenzen meer. Een gruwelijk gevoel. Geen lichaam meer, alleen maar een trillende pijnlijke brij. Ik kan niet meer slapen.

Ik herinner me dat ik wel sliep en me wel levend voelde toen ik mijn herinneringen echt geloofde. Toen mijn herinneringen als werkelijkheid voelden, voelde ik mijzelf ook werkelijk en was de wereld echt. Ik probeer mijzelf daarom in therapiesessies te overtuigen dat er echt gebeurd is wat ik me herinner en wat mijn lichaam mij vertelt. Maar dat werkt niet, het lukt niet, hoe hard ik het ook probeer, hoe vaak ik het ook probeer.

Dan besluit ik er anders mee om te gaan. Ik erken dat het onvoorstelbaar is wat er gebeurd is, dat het klopt dat dit niet te geloven is. Deze gebeurtenissen zijn inderdaad ongelofelijk, onvoorstelbaar en niet te begrijpen. Dit is zo afschuwelijk, nogal logisch dat ik me niet kan indenken dat iemand dit doet. Dit had nooit mogen gebeuren — en nu het toch is gebeurd, is het volkomen begrijpelijk dat dit mij gevoelens van onbegrip, ongeloof en onwerkelijkheid heeft gegeven. Het is inderdaad vreemd dat ik dit alles heb meegemaakt, omdat dit immers niets te maken heeft met wie ik ben, met wie ik werkelijk ben, omdat dit immers nooit had mogen gebeuren en niet is hoe mijn leven had moeten zijn. Ik heb dit immers niet verdiend en niet veroorzaakt.

Het zijn intense, maar ook rustige gevoelens, een intens MIJ voelen. Ik voel heel sterk dat het niet mijn schuld is wat er is gebeurd, dat het niets met mij te maken had, niet had moeten gebeuren. Terwijl ik hier zo mee bezig ben, voel ik een diep gevoel van rouw. Rouw die mij weer contact met mijzelf geeft, rouw die mij mijn leven teruggeeft, die mij de werkelijkheid van het verleden geeft en een heden dat anders is dan het verleden. Ik slaap ineens weer een stuk beter.

Daarmee is het onderwerp van “geloven wat ik heb meegemaakt” nog niet voorbij. Het blijft door de maanden heen een worsteling die steeds weer terugkomt. Welk deel van mijn “andere wereld” is fantasie en welk deel is echt gebeurd? Wat ik de ene dag geloof, kan ik de volgende dag weer in twijfel trekken. Is het uit angst dat ik soms besluit dat iets toch niet echt gebeurd kan zijn, of kom ik tot die conclusie omdat het ook echt niet klopt? Ik ga beseffen dat ik steeds weer voor mijzelf zal moeten uitzoeken hoe ik hierin sta, wat ik vind van het verhaal van mijn geschiedenis zoals ik dat tot dan toe heb gereconstrueerd. Ik ga beseffen dat dit een doorgaand proces is van schiften, mijn mening herzien of juist niet, mijn gedachten en gevoelens hierbij onderzoeken. Steeds weer een versie van mijn geschiedenis vaststellen zoals ik die op dat moment geloof, waarschijnlijk acht, overtuigend vind. Ik ga ook beseffen dat dit een proces is waar ik waarschijnlijk in meer of mindere mate nooit klaar mee zal zijn, hoewel ik ook verwacht, vermoed en al wel merk dat er toch langzamerhand een zekere rust in zal komen, dat ik langzamerhand bij een versie van mijn geschiedenis uit zal komen waarbij ik een groot deel van de tijd voel en denk dat dit is wat er werkelijk gebeurd is, zover als ik die werkelijkheid maar kan benaderen.

Een paar nachten heb ik erg pijn in mijn arm. Overdag heb ik nergens last van, maar in bed krijg ik die nachten ineens erg pijn. Ik vraag me af wat er aan de hand is. Ik heb niets raars met mijn arm gedaan en ik heb ook niet op mijn arm gelegen in bed. Het doet erg zeer, vooral een beweging naar boven maken is onmogelijk. Pijn in mijn hele arm tot aan mijn schouder. De eerste nacht is de pijn het ergst in mijn elleboog, de tweede nacht het ergst bij mijn schouder, alsof mijn arm bijna uit de kom is getrokken, van onder mijn oksel van mijn schouder is gescheurd. Het doet zo zeer en mijn hele arm doet zeer en het lijkt tegelijk alsof mijn arm niet meer van mij is. Een vreemd ding, een lam vleugeltje dat aan mijn lichaam hangt, los van mij.

Ik moet denken aan een stukje uit mijn “andere wereld”. Een stukje waarin het kind, ik, niet mee wil werken en zich op de grond laat vallen, zich verzet, weigert naar het bed te lopen, op de grond in elkaar duikt. En de man, mijn vader, het kind meetrekt aan haar arm. Het kind spartelt tegen, vecht, maar heeft geen enkele kans, drie of vier jaar oud tegen een volwassen man. Is het die pijn in mijn arm die ik nu voel? De pijn van ruw meegetrokken worden? Ik weet het niet zeker, maar omdat ik er toch iets mee moet, omdat ik toch iets tegen deze pijn moet doen, gebruik ik dit wel als uitgangspunt voor de therapie in deze nachten. De pijn verdwijnt. Ik ben er niet zeker van of mijn vermoeden juist is geweest, en besluit dat ik dat wel zal zien als dit verschijnsel nog eens terugkomt. Maar het komt niet terug.

Er zijn meer dingen die ik niet kan plaatsen. In een nachtmerrie over de mishandelingen worstel ik met iets in mijn mond. Dat komt niet voor in de “film”. Ik probeer na te gaan wat dit zou kunnen zijn. Ik herinner mij mijn heftige reacties op onschuldige dagelijkse gebeurtenissen met mijn mond — een peutertje dat koekkruimeltjes in mijn mond stopt, een peutertje dat me een zoen op mijn mond geeft, dat zijn situaties waarin ik doodsbang word. Ik heb herbelevingen van iets uit mijn mond willen, kokhalzend, spugend. En als ik slaap heb ik mijn kaken zo verkrampt op elkaar dat ik constant pijn in mijn kaken heb en er zelfs een keer een kies afbreekt. Ik weet niet wat dit is, maar het bezorgt me afschuwelijke nachten, nachten zonder slaap en vol doodsangst en flitsen en schokken in mijn lijf. Ik wil graag weten waar dit over gaat. Ik tel de beelden, mijn nachtmerries en mijn gevoelens bij elkaar op en kom tot de conclusie dat mijn vader waarschijnlijk een zakdoek in mijn mond heeft gestopt. Maar het blijft een reconstructie. Ik weet het niet.

De “film” vertelt wel over stil moeten zijn. Alles geluidloos verdragen, hoeveel pijn ik ook heb. En ik doe er alles aan om dat voor elkaar te krijgen. Ik kan niet ontsnappen, ik heb geen uitweg, ik kan niets doen om mijzelf te helpen, ik moet gehoorzamen, ik mag geen geluid maken. Als ik toch geluid maak, als ik het niet meer volhoud, als ik tegenstribbel — dan moet ik extra, om het beter te leren. Het is voor mij belangrijk om stil te zijn. Aan de andere kant — als ik meewerk en het voor elkaar krijg om het te verdragen, dan ben ik er klaar voor om te leren meer te krijgen en verhoogt hij het aantal schokken of de hevigheid ervan. Ik kan geen kant uit. Wat ik ook doe, het helpt me niet.

Soms geven dromen mij een besef van de werkelijkheid, geven dromen mij de gevoelens waarmee ik in de therapie verder kan om te verwerken wat ik heb meegemaakt.

Ik droom dat ik in het huis ben waar mijn ouders zijn gaan wonen toen ik ging studeren. Mijn moeder is er, en mijn zussen. Ik lig buiten op een deken in het zonnetje. Ineens zie ik dat mijn vader eraan komt. In mijn droom realiseer ik me dat dit een hallucinatie is, omdat mijn vader immers al dood is. Dit kan daarom niet echt zijn. Toch schreeuw ik, doodsbang vanwege dit realistische beeld van mijn vader die eraan komt. Niemand reageert op mijn schreeuwen, mijn moeder niet, mijn zussen niet. Mijn besef dat dit een hallucinatie of een droom is vervaagt. Het voelt realistisch, het voelt alsof het nu gebeurt. In plaats van op een deken in het zonnetje lig ik ineens op een bed en mijn vader staat naast me. Hij heeft spullen bij zich, waaronder een blauw-grijs metalen kastje. Ik ben bang voor dat kastje, weet dat dit het ding is waarmee hij mij vroeger pijn deed, onder stroom zette. Dan klemt hij met een ander metalen ding mijn hoofd aan het bed vast, ik kan niet meer bewegen, het zit heel strak en het doet zo zeer dat ik het nauwelijks uit kan houden. Ik weet dat hij straks de draadjes op mijn hoofd zal zetten en de bliksemflitsen door mijn hoofd zal sturen en dat die pijn te verschrikkelijk is. Ik heb nu al zo’n pijn en ik ben zo bang. Ik probeer er zo lang mogelijk bij te blijven, vol te houden, maar dan houd ik het niet meer uit. Ik ga weg en de droom stopt.

Ik huil en huil en huil na deze droom. Ik besef dat het waarschijnlijk is dat details van deze droom niet kloppen, maar de kern ervan en mijn gevoelens lijken precies hoe het was. Het is zo onbegrijpelijk. Zo onvoorstelbaar. En tegelijk realiteit. Zo krankzinnig. Hoe heeft mijn vader dit kunnen doen? Ik kan het me niet voorstellen. Ik snap het niet. Hij beleefde genot aan de pijn en de angst van een kind. Van zijn eigen kind. Het is zo onvoorstelbaar dat ik ga denken dat het niet gebeurd kan zijn. Hoe heeft dat nou met mij kunnen gebeuren, met mij, terwijl ik Janneke was en moest leven, veilig zijn, heel zijn. Huilen, huilen. Mijn tranen willen niet meer stoppen. Maar het zijn goede tranen, het doet me goed om te kunnen huilen, deze tranen brengen opluchting. Mijn tranen helpen mij de werkelijkheid te erkennen, ze helpen mij om nu verder te kunnen met mijn leven.

Nu mijn herinneringen weer echt voor me zijn voel ik ook walging, en ik voel me verraden — vooral als ik terugkijk op al die jaren waarin ik nog bij mijn vader in huis heb gewoond, al die jaren waarin ik ben blijven proberen met hem te leven. Steeds weer heb ik geprobeerd iets positiefs te vinden of te creëren in het contact met hem, steeds weer heb ik hem een kans gegeven, steeds weer heb ik hem het voordeel van de twijfel gegeven. Ik heb mijzelf steeds schuldig gevoeld over mijn haat voor hem, steeds heb ik gedacht dat het allemaal aan mij lag. Je hoort je vader immers niet te haten? Ik voel walging over al die keren dat hij mij aangeraakt heeft, al die keren dat ik bij hem op schoot gezeten heb, dat ik hem welterusten gezoend heb. Verraden door zijn leugens, zijn web van leugens waarin hij deed alsof alles goed en normaal was, waarin hij deed alsof hij het verdiende om respect en liefde te krijgen en die van mij eiste. Maar dat ik hem haatte, was terecht.

Doodsangst

In de eerste maanden van 1997 kom ik ook steeds weer de angst tegen om dood te gaan. Ik heb het gevoel dat ik nog steeds niet besef dat ik het overleefd heb, dat ik niet besef dat het gevaar voorbij is, niet besef dat ik nu veilig ben. Ik probeer in de therapie bij het besef te komen dat ik overleefd heb, dat het allemaal voorbij is. Dat ik niet meer in gevaar ben. Dat lukt niet. Nog steeds ben ik bang dat ik vermoord zal worden. Fouten maken blijft een probleem. Als het ineens tot me doordringt dat ik iets fout heb gedaan word ik doodsbang. Kou in mijn lijf, koude wurggreep in mijn borst, misselijk, hartkloppingen, radeloze paniek.

Een keer kom ik erachter dat ik een dubbele afspraak heb gemaakt met het orkest en de muziekschool. Rationeel weet ik wel dat dit weliswaar vervelend is, maar dat er heus wel een mouw aan te passen zal zijn als ik erover bel. Toch ben ik er absoluut van overtuigd dat ik vermoord ga worden vanwege deze fout. Het is zondag en omdat ik thuis geen telefoonnummers heb van de leerlingen van de muziekschool moet ik tot de volgende dag wachten om het te kunnen regelen. De hele dag blijf ik radeloos doodsbang, mijn gevoelens vertellen me steeds maar dat ik zal sterven. Ik denk dat dit nooit meer goed zal komen. Er is geen hoop, geen redding. De hele dag huil ik.

Die dag ben ik doorlopend met therapie bezig. Ik probeer grip te krijgen op wat er aan de hand is, ik probeer uit te vinden wat hier precies achter zit. Maar dat lukt niet. Ik huil, huil, huil. Pas als ik de volgende dag de lessen heb verzet — zonder dat iemand zelfs maar boos is geworden, laat staan moordzuchtige neigingen kreeg — word ik rustig. Het is ook opvallend hoe ik de knop kan omdraaien en heel rustig en volwassen de benodigde telefoontjes afhandel. Zoals zo vaak: op het moment dat ik tot handelen kan overgaan, kan ik ineens volkomen in een andere rol stappen, alle angst aan de kant schuiven.

Ook in mijn nachtmerries ben ik bang dat ik vermoord word.

Een man, een legerofficier, bindt mij vast en vertelt mij ondertussen dat ik om acht uur dood zal gaan. Ik ben machteloos maar verzet me hevig, vecht voor mijn leven, vecht als een furie, maar hij is sterker. Ik ben zo onbeschrijfelijk doodsbang en wanhopig, ben alleen nog maar verzet. Er staan mensen om me heen, ze doen niets voor me, genieten zelfs van mijn verzet, van mijn duidelijke angst en pijn en doodsnood, mijn hopeloze verzet, mijn hopeloze machteloze gevecht voor mijn leven, mijn machteloosheid. Maar ik heb geen aandacht voor hen, ben alleen met mijzelf bezig. Met mijzelf en die man die mijn handen vastbindt. En die alvast sommige plekken van mijn lichaam ergens mee insmeert zodat het goed zal geleiden en hier draden bevestigt. Het is zo onvoorstelbaar afschuwelijk te weten dat ik ga sterven, terwijl ik niet wil maar totaal machteloos ben. Doodsbang word ik wakker.

Ik herinner me hoe fel maar machteloos ik reageerde toen ik zeven jaar was en mijn zussen en broer steeds een liedje zongen over een klein meisje dat stierf. Dat was tijdens een kampeervakantie. Ze vonden het een leuk liedje, en vonden het nog leuker doordat ik er niet tegen kon. Ik kon er werkelijk niet tegen, ik werd zo verschrikkelijk wanhopig en razend en haatte hen intens omdat ze dit leuk konden vinden. Ik wilde dat ze ermee ophielden dit te zingen, ik zei hen dat ze hiermee op moesten houden. Maar ze lachten om mijn woorden, ze vonden het grappig en gingen ermee door. Ik was radeloos en eenzaam. Onvoorstelbaar radeloos en eenzaam, ik bestond alleen nog maar uit pijn en kon niet ontsnappen.

Ik herinner me ook een film die ik een keer op televisie heb gezien, ergens in mijn studietijd. Een film over een waargebeurde geschiedenis, over een jongen die lifters meeneemt in zijn auto. De lifters grijpen hem, en hij ligt vastgebonden op de achterbank terwijl hij de twee mannen met elkaar hoort overleggen wat ze met hem zullen doen. Gijzeling levert net zo veel gevangenisstraf op als moord en de kans dat ze gepakt worden is kleiner als ze hem vermoorden. Dus besluiten ze hem te vermoorden. De jongen hoort dit terwijl hij volstrekt machteloos is, vastgebonden en gekneveld. Hij heeft geweten dat hij vermoord ging worden. Ik raak in paniek. Ik heb het gevoel zelf vermoord te worden, hier en nu vermoord te worden. Hoewel ik heel goed weet dat ik alleen thuis ben met de deur op slot en er dus niemand is die mij aan het vermoorden is, heb ik tegelijk de absoluut overtuigende, reële beleving dat iemand mij aan het vermoorden is. Ik vecht voor mijn leven. Niets doet er nog toe, alleen fysiek overleven, vechten voor de volgende ademhaling. Ik ben ervan overtuigd dat ik mijn dood in de ogen zie en ben onvoorstelbaar gruwelijk bang. De jongen werd inderdaad vermoord. Ik leef nog, maar heb geen idee waar al deze angst vandaan komt en wat ik ermee moet.

Vooruitgang

Toch gaat het steeds beter met me. Ik slaap steeds beter. Ik heb geen herbelevingen van schokken meer, ik heb minder nachtmerries, ik slaap beter door, en in nachten dat ik niet doorslaap betekent dat niet meer dat ik elk uur wakker word, zoals dat altijd was, maar dat ik elke twee uur wakker word. Ik slaap nog steeds slecht en veel te weinig, nog altijd lig ik vrijwel elke nacht zeker enkele uren wakker (maar niet meer elke nacht!), uren waarin ik me beroerd voel en huil en met therapie bezig ben, nog steeds ben ik moe door slaapgebrek. Maar het is veel beter dan het altijd is geweest.

En ik durf eindelijk een paar mensen mijn verhaal te vertellen. Half maart 1997 vertel ik mijn vriendin Charlotte over de herinneringen uit mijn “andere wereld”. Al heb ik er lang tegenaan gehangen er met iemand over te praten, het voelt nu vanzelfsprekend en vertrouwd om er met Charlotte over te praten. Ik voel me ook veilig en gerespecteerd bij de manier waarop ze reageert. Ik houd mijn gevoelens voor het grootste deel buiten het gesprek. Ik huil eventjes, maar niet veel. Dit is voor mij nu de beste manier om dit te kunnen vertellen.

Ook een andere vriendin reageert goed. Ik vertel haar mijn herinneringen op een moment dat ik in paniek en overstuur ben, en in tranen. Als ze een aantal weken later terugkomt op dit gesprek, merk ik dat ik al die weken zorgvuldig heb vermeden hieraan te denken, dat ik heb vermeden me te herinneren dat ik zo veel gevoelens heb laten zien. Ik heb zo veel meer laten zien dan ik normaal doe, alles wat ik altijd zo zorgvuldig verberg in contacten was nu open en bloot. Ik ben zo veel eerlijker en zo veel kwetsbaarder geweest dan andere keren dat ik iets verteld heb, en het heeft me meer beangstigd dan ik in de gaten heb gehad. Toch hebben deze beide keren dat ik met vriendinnen praat over de mishandelingen door mijn vader bij lange na niet de doodsangst en slapeloze nachten opgeleverd waar ik een paar maanden daarvoor nog last van had als ik iets heel kleins vertelde. Maar hierna praat ik met niemand meer over mijn herinneringen, ook niet met deze vriendinnen die het nu weten.

Ook al heb ik het dan niet over mijn herinneringen, ik ga me wel steeds beter voelen in mijn contacten met mensen, ik ga me steeds meer “echt” voelen. Lang niet altijd lukt dat, vaak zak ik nog weg en regelmatig moet ik me nog behelpen met toneelspel, maar steeds vaker voel ik me echt. Ik merk dat ik minder bang ben voor mensen en me daardoor minder hoef af te sluiten, er meer bij kan blijven. Ik kan merken wat ik voel en denk, en ik kan dat laten blijken in plaats van me zorgvuldig af te schermen. Toch kan ik nog maar een beperkt deel van de tijd contact met andere mensen hebben, anders houd ik het niet vol en ga ik me toch weer ver weg en uitgeput voelen. Een baan waarin ik een behoorlijk deel van de dag andere mensen zou tegenkomen of zou moeten samenwerken is ondenkbaar. Ook iemand werkelijk dichtbij laten zoals in een relatie of wanneer ik met iemand samen zou wonen is ondenkbaar. En mannen zijn nog steeds een groot probleem, ik ben nog steeds bang voor mannen.

Maar bang of niet, ik verlang toch naar een relatie. Hoewel de gevoelens van intense eenzaamheid die ik zo lang heb gehad al in het begin van de zelfhulptherapie verdwenen zijn en ik me goed kan redden in m’n eentje, zelfs verreweg het beste functioneer als ik een paar dagen niemand zie of spreek, vind ik het pijnlijk dat ik geen relatie heb. Hoe kan ik de problemen aanpakken die mij in de weg staan om een relatie te hebben? Om mijn angst voor mannen op te lossen in de therapie, zou ik juist dat moeten doen waar ik bang voor ben. In het geval van een relatie weet ik niet hoe ik dat zou kunnen doen. Ik zal dan toch iemand tegen moeten komen voor wie ik iets voel, en die dat ook voor mij voelt. Maar ik ben vrijwel nooit in staat dergelijke gevoelens te voelen. Ik doe mijn best om mannen niet uit de weg te gaan en de paar vriendschappen met mannen die ik heb te onderhouden. Maar het blijft bij tamelijk oppervlakkige en sporadische contacten.

Een keer in deze maanden zie ik een man die ik erg leuk vind, aantrekkelijk vind. Ik ken hem niet en spreek hem ook niet. Op het moment dat ik besef dat het een reële mogelijkheid is om hem aan te spreken merk ik dat ik niet weet wat ik zou moeten met het contact. Ik voel me in een andere wereld leven en ik heb geen idee wat ik zou moeten zeggen. Ik voel geen verbinding. Ik voel me een klein meisje, totaal misplaatst in het contact, of een hulpverleenster, een andere rol waarin ik vaak terechtkom, waarbij ik me niet goed voel. Toch is even het gevoel van iemand aantrekkelijk vinden tot me doorgedrongen, wat heel zeldzaam is.

Wat ik vooral mis, is iemand die echt dicht bij me staat, iemand met wie ik een diepgaand contact heb. Dat is waar ik naar verlang. Ik ben blij met de vriendschappen die ik heb, maar verlang naar iets wat verder gaat dan dat. Ik voel een pijnlijke lege plek in mijn leven.

Ook in de verstandhouding met mijn moeder zoek ik naar verbetering. Er hoeft maar even een gedachte aan mijn moeder boven te komen of ik voel hevige pijn en woede, en ik heb steeds wanhopig makende, eindeloze “gesprekken” met haar in mijn hoofd. Als ik erover denk om haar te bellen of te zien ben ik bang niet gehoord en niet begrepen te worden en voel ik me machteloos en razend. Sinds ik in december ’96 ben gaan beseffen wat mijn vader met mij heeft gedaan merk ik dat de intense pijn en woede die ik zo vaak voel, bij de herinneringen aan deze mishandelingen horen. Misschien geldt dit ook als ik woedend ben op mijn moeder of andere heftige reacties heb op haar? Ik besluit om elke keer als ik dergelijke gevoelens over mijn moeder heb, in de therapie bezig te gaan met het verwerken van herinneringen aan mijn vader — en met het feit dat mijn moeder mij toen niet heeft geholpen.

Dit werkt opmerkelijk goed. De gesprekken met haar in mijn hoofd houden op. Ik kan aan mijn moeder denken zonder onmiddellijk te ontploffen. Ik heb nog wel gevoelens naar haar toe, zeker ook negatieve, maar ze zijn niet meer zo buiten proporties en ik heb er geen last van, ik word er niet door overweldigd en er niet door beheerst. Mijn gevoelens zijn hanteerbaar en houden op als ze niet meer aan de orde zijn. Ik voel dat het heel akelig is hoe zij met mij als kind is omgegaan, maar ook dat mijn contact met haar nu anders is, doordat ik niet meer van haar afhankelijk ben en ik mijzelf effectief kan verdedigen tegen haar. Dat is me sinds oktober ook al duidelijk geworden, maar dat wordt nu makkelijker. Ik voel me niet meer machteloos en ik hoef ook niet meer zo dringend gehoord en gezien te worden. Ik besef dat ons contact nu oppervlakkig is en dat ik graag een echt, diepgaand contact met haar zou willen, maar dat dat nou eenmaal niet zo is. Dat doet zeer, maar is geen ramp. Ik wil datgene uit het contact halen wat er uit te halen is, en me daarvoor inzetten, maar kan ermee leven dat dat resultaat beperkt zal blijven.

Vanuit deze gevoelens van ontspanning en rust kan ik haar in mei ’97 bezoeken. Ik heb het gevoel dat het contact met haar beter is dan het ooit is geweest en beter dan ik ooit had verwacht nog mee te maken. We lijken allebei veranderd te zijn. Ik kan sturen en ingrijpen in het gesprek en over mijzelf vertellen, ook als ze mij daartoe niet uitnodigt (al ga ik niet zo ver dat ik haar over mijn herinneringen aan mijn vader vertel, dat durf ik niet). En voor het eerst heb ik het gevoel dat ze mij een luisterend oor geeft, voor het eerst heb ik het gevoel dat ze mij hoort. Ze reageert op een betrokken manier. Er zitten nog veel moeilijke momenten in het contact, maar ik ben zeker tevreden met hoe het gaat. Al mijn geploeter heeft beslist iets opgeleverd.

Wel voel ik me verdrietig na het bezoek, ik voel zo sterk dat ik als kind mijn moeders aandacht en betrokkenheid nodig heb gehad, en niet zozeer nu als volwassene. Het is goed wat er nu gebeurt. Maar wat ik nu heb gekregen had ik als kind echt nodig.

Ik heb nog een andere, zeer grote vooruitgang geboekt: van december ’96 tot mei ’97 ben ik maar drie of vier dagen ziek geweest — in een periode van het jaar waarin ik al jaren altijd, zonder een enkele uitzondering, minstens drie maanden ziek was. Het lijkt erop dat het erkennen en, gedeeltelijk, verwerken van de herinneringen aan de mishandelingen door mijn vader een grote verbetering van mijn lichamelijke gezondheid heeft opgeleverd. Hier ben ik heel, heel erg blij mee.

Internet

Ik ga op zoek naar informatie op internet. Ik vind websites over wetenschappelijk onderzoek naar herinneringen en traumatische ervaringen, en in de informatie die ik hier lees herken ik mijzelf — het fragmentarische karakter van de herinneringen en het “vreemde” ervan, zo anders dan gewone dagelijkse herinneringen. Met name Jim Hoppers website geeft mij meer begrip van mijzelf en voelt als een steun die ik goed kan gebruiken. Ook vind ik boeken die waardevol voor mij zijn, zoals Schokkende herinneringen van Lenore Terr, Betrayal trauma van Jennifer J. Freyd, Recovered memories of abuse van Kenneth S. Pope en Laura S. Brown en Trauma en herstel van Judith Lewis Herman.

Deze laatste auteur vermeldt in haar boek de aspecten van traumatische ervaringen die in een therapie aan de orde moeten komen: het beschrijven van de traumatische beelden inclusief de lichamelijke gewaarwordingen, het nauwgezet verwoorden van de gevoelens erbij, de betekenis die het gebeurde heeft (“waarom?”, “waarom ik?”, de kwesties van schuld en verantwoordelijkheid en een nieuwe interpretatie van de traumatische ervaring) en een morele stellingname waarin de waardigheid en waarde van de overlevende wordt bevestigd. Stettbachers vier stappen blijken geworteld in de meer traditionele traumatherapie.

Ik geniet van een prachtig fragment in het boek van Kenneth S. Pope en Laura S. Brown: “…catharsis of the sort that was popularized in the early 1970s in the encounter movement, but which has not been shown to be effective in accomplishing much of anything except destroying pillows” (“…catharsis van het type dat populair werd in de vroege jaren 70, maar waarvan niet is gebleken dat het ook maar enig effect had, afgezien van vernielde kussens”) en ik denk terug aan mijn weigering om woedewerk te doen bij Robert en Roberts onbegrip daarbij. Ja, enkel de kussenverkoop heeft er wel bij gevaren.

Op de Primal Psychotherapy Page van John Speyrer staan e-mailadressen van mensen die ook met zelfhulptherapie bezig zijn aan de hand van de boeken van Jenson en Stettbacher, en die met “mede-zelfhulpers” willen schrijven. Dat lijkt mij wel wat, hoewel ik me nog steeds goed red in m’n eentje, zelfs nu met de herinneringen die ik me de afgelopen tijd bewust ben geworden. Ik ga schrijven met een aantal mensen en dat voelt fijn. Maar in mijn contacten met John Speyrer en sommige anderen loop ik ertegenaan dat zij weinig ervaring blijken te hebben met de therapieën van Stettbacher of Jenson. Zij hebben alleen ervaring met primaltherapie, en denken dat Stettbachers therapie primaltherapie is. Dat is een teleurstelling voor mij.

De correspondentie met John over de verschillen tussen primaltherapie en de therapie van de vier stappen dwingt me wel om de zaken heel duidelijk voor mijzelf op een rijtje te zetten, dwingt me om heel goed bewust te zijn van wat ik in de therapie doe. Dat helpt mij meteen bij het werken met de therapie.

Zelf heb ik ervaren dat de therapie van de vier stappen niet gebaseerd is op het idee dat pijn goed, helend of nodig zou zijn, wat wel het basisidee was van de primaltherapie die ik heb gedaan. Stettbachers therapie is gebaseerd op “nee” zeggen tegen de pijn, op het afwijzen van pijn. In deze therapie erken en voel ik de pijn wel, net als in primaltherapie, maar de therapie van de vier stappen heeft als uitgangspunt dat pijn betekent dat er iets mis is, iets verkeerd is: pijn is een signaal dat iets mij kwaad doet, iets waartegen ik moet optreden om mijn beschadigde integriteit te herstellen. In mijn zelfhulptherapie heb ik ervaren dat de helende werking van de therapie ligt in het scheppen van orde in het verleden, op het ontwarren van het verleden. De therapie betekent voor mij helderheid brengen waar eens verwarring heeft geheerst en komen tot een diep gevoelde afkeuring van wat er met mij is gedaan.

Dit heeft Stettbacher ook geschreven in de informatie die ik van hem heb gekregen:

“Het motto van mijn therapie luidt: ‘Als lijden al zin heeft, dan zie ik die zin alleen in een opheffing van het lijden…’

Het idee dat in de therapie het lijden weer doorgemaakt moet worden, is niet alleen verkeerd, het is absurd. Als dat het doel van de therapie zou zijn, zou dat uiterst belastend zijn, want lijden dat niet eindigt, vernietigt uiteindelijk het leven, doodt al het leven.

Er zijn daadwerkelijk ‘therapieën’ die bestaan uit herbeleven van pijn; het resultaat is een volledig kapot mens, die alleen nog op een ‘hiernamaals’ kan hopen en wachten en die geen levensvreugde meer kent.

Uit mijn therapiemotto volgt echter ook dat het nodig is de oorzaken van het lijden uit te zoeken, te constateren en op te lossen. Dit is noodzakelijk en leidt zeker ook tot een confrontatie met de pijn, maar niet om die te blijven beleven, maar om zich daartegen te verweren, om het lijden in de toekomst te vermijden en te verhinderen, zodat het leven behouden kan worden.” (Door mijzelf vertaald uit het Duits.)

Toen ik dit voor het eerst las in de informatie die Stettbacher mij had gestuurd, voelde ik me verward over wat hij hier schrijft. Ik begreep het niet. Ik kwam toen nog bij Robert, en het was in tegenspraak met wat ik tot dan toe in de therapie bij Robert had geleerd en gedaan. Maar toen ik erover nadacht en het ging toepassen in de zelfhulptherapie, merkte ik hoe belangrijk dit was. Hoe wezenlijk het was voor het verdwijnen van mijn problemen.

Als ik schrijf met John kom ik (weer) tot de conclusie dat voor mij “leugens ontmaskeren” een belangrijk onderdeel van mijn therapie is. Op een bepaalde manier hebben de conclusies die ik als kind heb moeten trekken over het misbruik de meeste blijvende schade aangericht. Ik heb zo veel leugens moeten geloven, en worstel daar nog steeds mee. In de therapie kom ik vaak intense verwarring tegen of het wel of niet goed is wat mijn vader met mij deed. Diep verankerde ideeën dat ik dit alles nodig had, dat ik deze straf nodig had om beter te worden, dat ik verkeerd was en eerst op deze manier beter gemaakt moest worden zodat papa daarna van mij zou kunnen houden. Dat het pas mogelijk was om van mij te houden als ik niet meer zo slecht was, en dat ik alleen door deze straf beter kon worden. Gevoelens dat pijn goed is, dat pijn prettig is en dat pijn betekent dat iemand van me houdt. Opwinding bij pijn. En ideeën dat er niets ergs gebeurd is, dat alles wat ik me herinner niet erg is en dat het onzin is dat ik er last van zou hebben. Ik leef nog dus er is niets gebeurd. Waar zit ik me nou eigenlijk druk om te maken? Het was niet erg, ik heb het overleefd, het was nodig en het was goed.

Ook neem ik het mijzelf kwalijk dat ik niet om hulp heb geschreeuwd — het was dus mijn schuld dat ik mishandeld of misbruikt ben. Bovendien heb ik er zelf aan meegewerkt, ik kleedde mijzelf uit, liep naar het bed, ging liggen — ik heb het zelf gedaan. Ik vind ook dat mijn vader er recht op heeft gehad dit met mij te doen omdat hij zelf in nood was. Of dat hij het allemaal niet heeft kunnen helpen, dat het niet zijn verantwoordelijkheid was wat hij deed, hij was nou eenmaal ziek in zijn hoofd. Bovendien heeft hij ervoor gezorgd dat ik niet dood ben gegaan, hij is op tijd gestopt, hij is nooit “te ver” gegaan. Ik heb mijn leven dus aan hem te danken, ik moet hem dankbaar zijn: hij heeft geen kwaad gedaan, hij heeft zich juist ingehouden en gezorgd dat mij niets is overkomen. Hij heeft mij gered. Ook heb ik sterke gedachten dat ik maar een ding ben en er voor hem ben, dat mijn enige bestaansrecht is er voor hem te zijn. Ik heb er trouwens helemaal geen last van gehad want ik was nog maar zo klein.

Ik weet dat dit allemaal niet waar is. Ik worstel en worstel met dit alles in de therapie, maar het is erg moeilijk om hierdoorheen te komen. Ik merk vaak dat het dit soort ideeën over het misbruik en de mishandelingen zijn die mij herbelevingen bezorgen. De meest effectieve sessies, de sessies waarin of waarna ik een duidelijke en soms spectaculaire sprong vooruit ervaar in mijn gezondheid, zijn niet de sessies waarin ik me voel alsof de mishandelingen weer gebeuren, zijn niet de sessies waarin ik de hevige herbelevingen heb zoals primaltherapeuten die uitlokken, maar zijn de sessies waarin ik heel zorgvuldig en eerlijk in mijn herinneringen rondkijk, waarin ik opspoor welke conclusies ik als kind aan deze gebeurtenis verbonden heb en deze conclusies nu als leugens kan erkennen. Als kind heb ik geen andere mogelijkheid gehad dan deze conclusies te trekken en de leugens die me verteld of gesuggereerd werden te geloven. Nu hoeft dat niet meer, en het werkelijk weten en beseffen dat het verkeerd was dat ik misbruikt werd, het werkelijk “nee” zeggen tegen mishandeling, heeft een heel direct genezend effect.

Maar dat is lang niet simpel, vaak lever ik een lange strijd met allerlei leugens waar ik diep vanbinnen heilig in geloof. Als ik zo’n leugen op het spoor kom probeer ik vaak direct deze leugen af te wijzen, er “nee” tegen te zeggen, te zeggen dat het niet waar is, omdat ik immers ervaren heb dat “nee” zeggen verbetering brengt. Maar helaas werkt dit niet. Ik schreeuw op die momenten dan wel hard dat het een leugen is, maar blijf ondertussen gewoon in de leugens geloven, ik zie mijn oude conclusie diep vanbinnen niet als leugen maar als waarheid. Daar kom ik dus niet verder mee. Ik moet de leugens werkelijk onder ogen zien, ze zorgvuldig bekijken en er werkelijk mee afrekenen. Ik moet serieus nemen dat ik in deze leugen heb geloofd en nog geloof, zorgvuldig onderzoeken waarom ik hierin geloof — wat ik doodeng vind omdat ik denk dat ik tot de conclusie zal moeten komen dat het helemaal geen leugen is maar de waarheid en dat is onleefbaar. Ik moet zorgvuldig bekijken waar deze leugen over gaat, inclusief alle pijnlijke details. Niet om ze te voelen maar om ze stuk voor stuk te ontkrachten. Ik moet mijn “argumenten” voor de leugens weten om erachter te kunnen komen dat die argumenten niet kloppen. Zo kan ik er dan uiteindelijk bij uitkomen zo’n leugen werkelijk als leugen te zien en ermee afrekenen. Dan verminderen mijn symptomen direct.

Over al deze dingen schrijf ik in mijn mails. Aan sommige correspondenties heb ik niet zo veel omdat we verschillende therapieën doen, andere doen mij wel goed. In het begin heb ik het gevoel dat contact per e-mail eigenlijk ideaal is voor mij. Schrijven gaat mij immers nog steeds makkelijker af dan praten, en in direct contact met mensen klap ik nog steeds geregeld dicht, al gebeurt dit veel minder dan in het verleden. Het is een openbaring voor me om zo intensief te kunnen schrijven, ik kan mijn hart luchten en delen wat mij bezighoudt (al heb ik hierbij niet de moed om over mijn herinneringen te schrijven). Ik ben erg blij met dit middel. Langzamerhand ga ik echter voelen dat dit weliswaar goed werkt, maar dat ik ook direct contact met mensen wil, ook al gaat dat me niet zo makkelijk af. Ik begin te verlangen naar mensen die dichterbij zijn, met wie ik kan praten, niet alleen schrijven. Mensen die ik echt kan zien. Op internet heb ik veel gevonden, maar nu heb ik iets anders nodig. Bovendien verlang ik naar actie, naar iets anders dan naar binnen kijken.

Alweer… therapie

Tijd voor leven, en voor minder therapie, hoop ik. Ik heb zin om nieuwe mensen te ontmoeten, iets wat heel bijzonder voor mij is omdat ik altijd het gevoel heb gehad dat ik dat niet aankon. Ik heb zin om op vakantie te gaan, met een groep te gaan wandelen in Schotland of kanovaren in Zweden, dat soort dingen. Ik heb zin om buiten te zijn, in de natuur te zijn, naar het buitenland te gaan en actief te zijn. Enthousiast vraag ik folders aan.

Maar als ik de folders lees zakt de moed me in de schoenen. Ik besef dat zelfs de meest lichte vakantie voor mij te zwaar is. Ik slaap te weinig, ik ben al kapot van een kwartiertje heel rustig zwemmen, en alleen al van de hele dag mensen om me heen hebben zou ik uitgeput raken. Dit ligt nog helemaal niet binnen mijn mogelijkheden. Ik ben teleurgesteld.

Hierdoor realiseer ik me wel hoezeer mijn reactie op lichamelijke inspanning mijn leven inperkt. Ik kom dat ook steeds tegen als ik zwem, wat ik elke week doe met een vriendin. Ik vind het gezellig, het contact met haar is fijn en ik heb het gevoel dat het goed is om toch iets aan mijn conditie te doen. Maar elke week voel ik me daarna geradbraakt, en slaap ik de hele nacht niet. Nog steeds voelt mijn lichaam alsof het in duizend stukjes is gescheurd nadat ik fysiek iets heb gedaan, nog steeds heb ik pijn en voel ik me angstig en wazig, ver weg en niet meer in mijn lichaam. De afgelopen maanden ben ik gaan vermoeden dat hoe ik me voel na lichamelijke inspanning weleens zou kunnen lijken op hoe ik me na de mishandelingen met elektriciteit heb gevoeld. Een enkele keer heeft het me ook geholpen om hier op deze manier in de therapie mee bezig te gaan wanneer ik last had van deze verschijnselen. Dan verminderde de pijn en sliep ik ineens goed. Maar andere keren kon ik er geen kant mee uit. Misschien is het ongezond om elke week een keer zo kapot te gaan, terwijl ik toch al doorlopend moe ben. Ik overweeg om te stoppen met zwemmen.

Als ik besef dat ik niet eens een lichte vakantie aankan besluit ik niet te stoppen met zwemmen maar me in de komende tijd op dit probleem te richten in de therapie. Het slapen gaat beter, ik voel me overdag vaak heel redelijk, dit probleem met lichamelijke inspanning verstoort mijn leven nu erg en ik wil proberen dit uit de weg te ruimen. Ik wil niet opgeven, ik wil me niet neerleggen bij deze beperking uit het verleden, ik wil mijn leven niet langer laten inperken door wat mijn vader met mij heeft gedaan. Ik wil proberen hier iets tegen te doen. Ik wil “nee” zeggen tegen mijn vader.

Ik herinner me dat ik vaak last had van deze verschijnselen als ik naar Roberts therapiekamer ging. Dan moest ik een stuk of vier trappen op. Bovengekomen voelde ik me van de wereld, uit mijn lichaam, angstig en uitgeput, en had ik pijn. Ik herinner me dat Robert me een keer zei dat ik altijd zo theatraal moe deed als ik zijn kamer binnenkwam. In werkelijkheid verborg ik hoe beroerd ik me voelde en was er maar een klein stukje van merkbaar. Hij dacht dat ik demonstratief en manipulerend bezig was en vroeg me erover na te denken wat het was dat ik hiermee bij hem probeerde te bereiken. Dat ik alleen maar een probleem had met lichamelijke inspanning, dat kon hij niet geloven.

Nu, nu ik mijzelf met de therapieën van Stettbacher en Jenson help, nu kan ik dan eindelijk eens echt naar dit probleem kijken, en het hopelijk oplossen, want het maakt zo veel onmogelijk in mijn leven. Het zou zo veel verschil maken als ik niet meer van de wereld zou raken bij de minste of geringste fysieke inspanning. Ik verlang zo naar een leven waarin ik niet zo beperkt ben in wat ik kan doen. Ik wil zo graag echt leven, actief zijn, op vakantie gaan en dan ook een vakantie met sportieve bezigheden kunnen kiezen. Ik wil meer kunnen doen, ik wil een leuker leven. Ik wil studeren of een baan hebben, nieuwe mensen ontmoeten, een relatie hebben, kinderen hebben. Ik heb het gevoel dat het leven aan mij voorbijgaat. Ik voel me goed over mijn leven als ik in het orkest speel en concerten heb, als ik op de peuterspeelzaal werk en op sommige momenten in sociale contacten — maar dat maakt een veel te klein deel van mijn tijd uit. De rest van de tijd vind ik het naar en onverdraaglijk hoe mijn leven is, naar en onverdraaglijk hoe inhoudsloos mijn leven is. Ik ben het spuugzat. Het gaat zeker beter met me dan het is geweest. Er zit een almaar stijgende lijn in — met ups en downs, maar daarbij toch een geleidelijk stijgende lijn. Ik zou het alleen zo graag veel sneller hebben, en ik had ook zo graag veel sneller veranderingen gehad in de vorm van mijn leven, in mijn dagelijkse bezigheden, in werk en relaties, en niet alleen in mijn gezondheidstoestand, hoe belangrijk de veranderingen daarin ook zijn.

De vakantieplannen streep ik door, maar ik zoek wel andere nieuwe activiteiten, om mijn dagelijks leven een meer bevredigende invulling te geven. Ik haal mijn studieplannen weer uit de kast. Maar alleen al het idee van een studie maakt dat ik weer vrijwel niet slaap, herbelevingen van schokken krijg en me leeg en doods voel. Ik besef dat als ik dit ga doorzetten, dat ik dan een heel erg zware tijd tegemoet ga. En dat het maar de vraag is of ik dat zal redden. Ik twijfel wat ik zal doen.

Weer spelen er problemen met de Sociale Dienst. In januari ’97 dacht ik dat het financiële probleem waarover een hoorzitting was geweest, was opgelost. Er was me toen verteld dat mijn bezwaarschrift gegrond was verklaard en dat ik het geld zou krijgen waarvoor ik een aanvraag had ingediend. Maar de Sociale Dienst betaalt niet uit en in mei 1997 ga ik vermoeden dat er iets niet klopt. Ik bel erachteraan, en moet er ook nog heen met papieren. Dat roept weer oude spanning op, en betekent moeilijke nachten, maar als ik ermee heen ben geweest denk ik dat het dan nu toch echt geregeld is. Vervolgens krijg ik een brief waarin wordt gezegd dat ze zullen uitbetalen. Maar tot mijn schrik is het bedrag dat ze noemen maar de helft van wat ik volgens de uitspraak van de hoorzitting zou moeten krijgen.

Ik besef dat ze waarschijnlijk gewoon een stomme fout hebben gemaakt, de papieren niet goed gelezen hebben, dat ze slordig hebben gewerkt. Ik denk dat dit wel rechtgezet zal worden als ik er achteraan ga. Maar ik raak wel weer overstuur. Urenlang huilen, huilen, huilen, wanhopig en in paniek. Oude gevoelens van totaal machteloos zijn, toch altijd aan het kortste eind trekken, geen rechten hebben, volkomen niets zijn, niets, iets waar anderen mee kunnen doen en laten wat ze willen omdat ik niets ben, waardeloos ben. Tegen een muur op lopen, niets wat ik doe helpt, gebruikt worden, vertrapt worden, vermoord worden, vermoord door mensen die volstrekt onverschillig staan tegenover mijn leven, die het niet kan schelen als ik dood zou gaan, die het wel prima zouden vinden als ik dood zou gaan, die zelf zo veel hebben maar toch het kleine beetje wat ik heb van mij afpakken omdat ze het zelf willen hebben. Mijn vader, die mijn leven van mij afpakt en voor zichzelf wil hebben, mijn lichaam van mij afpakt en voor zichzelf wil hebben, die het niet kan schelen dat ik zelf niets overhoud, die zelf alles wil, zowel wat van hemzelf is als wat van mij is. Het gevoel niet te mogen protesteren, ik krijg immers al zo veel, ik mag alleen maar dankbaar zijn en moet mijn mond houden, ik heb niet het recht om meer te vragen, ik ben, denk ik, immers alleen maar een profiteur want ik krijg een bijstandsuitkering.

Ik ben ook bang, erg bang — het moet goed komen, goed komen. Ik moet zekerheid, ik kan geen onzekerheid meer verdragen, ben zo bang. Het moet NU goed zijn, ik moet NU zekerheid. Ik kan niet meer wachten, niet meer hopen, ik kan niet verdragen niet te weten of het goed komt. Ik moet veiligheid, niet misschien in de toekomst, misschien in de toekomst als ik het al allemaal overleef. Ik moet de afloop weten, zodat ik niet zo doodsbang hoef te zijn.

Gevoelens van totale machteloosheid en niets kunnen doen tegen wat er gebeurt. Iemand moet mij helpen. Ik kan dit niet alleen, ik kan dit niet zelf, ik kan hier niet tegenop. Mama moet komen, mama moet mij helpen, mama moet ingrijpen. Wanhoop. Waar is mama toch. Mama moet nu komen, nu, nu, nu, anders zal het te laat zijn, het is al te laat, help me nou toch. Niet nog een keer, niet nog langer, ik kan niet meer, kan niet meer, kan niet meer. Ik heb gedacht dat het over was en nou gebeurt het weer, ik kan niet meer. Het is zo onrechtvaardig, het is niet eerlijk, niet eerlijk, niet eerlijk. Ik heb niets misdaan, niets misdaan, waarom gebeurt dit toch? Waarom overkomt mij dit toch steeds? Waarom? Waarom maak ik dit altijd weer mee? Waarom trek ik toch altijd weer aan het kortste eind? Waarom wil hij mij steeds weer kwaad doen? Waarom ben ik nergens veilig?

Ik moet veilig zijn, je moet goed voor mij zijn, rekening houden met mij, mij zien en horen, doen wat goed is voor mij, je moet geven, voorzichtig met mij zijn, mij geven wat ik nodig heb. Je moet mij geen kwaad doen, niet afpakken. Ik had macht moeten hebben, mijn “nee” had jou moeten stoppen, had niet eens nodig moeten zijn, ik had macht moeten hebben en die niet eens hoeven gebruiken omdat je me geen kwaad had mogen willen doen.

Lege angst, niet meer bestaan, dood zijn vanbinnen, urenlang huil ik. Ik loop wanhopig door mijn huis en lig ineengekrompen op de vloer, radeloos worstelend met dit alles. Ik heb zelfs weer gedachtes aan zelfmoord. Hoewel het niet op zo’n manier is dat ik het zal doen, schrik ik er toch van. Dit heb ik zo lang niet gehad, gevoelens dat ik dood wil zijn.

Ik blijf consequent de vier stappen toepassen, ik probeer de link met het verleden te vinden die deze stortvloed veroorzaakt. Maar dat lukt niet. Ik weet uit ervaring dat het vaak een detail is, maar ik kom er niet achter welk detail die link met het verleden is die nu zo’n wanhoop in gang heeft gezet. Wel zakt langzamerhand het gevoel af dat dit absoluut onverdraaglijk is en dat ik het niet eens zal redden tot de volgende dag, tot ik de volgende dag actie zal kunnen ondernemen (ik heb de brief na sluitingstijd van de Sociale Dienst in de bus gevonden, en ook het Buro Sociaal Raadslieden dat mij de afgelopen twee jaar heeft geholpen met de procedure is niet meer bereikbaar tot de volgende dag). Het lukt me na een paar uur om in de pen te klimmen en een brief te schrijven aan de Sociale Dienst dat er een fout is gemaakt. Ik vraag waarom dit zo is gedaan en of dit kan worden veranderd. Ondanks mijn dringende gevoel dat ik hier weer een sociaal raadsman bij nodig heb, laat ik het eerst maar bij deze brief. Het lijkt mij dat zij me dat ook zouden adviseren, om eerst een brief te schrijven. Mijn gevoel een autoriteit nodig te hebben die orde op zaken komt stellen is waarschijnlijk oud.

Hoewel ik me beter voel na deze brief, slaap ik de nacht erna slecht, en ook de nachten daarna blijven moeilijk. Daarvóór had ik net weer “doorgeslapen”, vier uur achter elkaar geslapen, maar dat is nu weer foetsie. Toch heb ik het gevoel dat ik alles wat ik maar kan bedenken aan triggers van het verleden in deze kwestie wel heb doorgewerkt. Ik kan niets meer bedenken. Gelukkig voel ik me overdag heel behoorlijk en is mijn slapen niet zo slecht als het eerder was. Daardoor heb ik de gelegenheid rustig verder te zoeken in de therapie wat er nu aan de hand is.

Ik ben verbijsterd dat deze kwestie weer zo veel oproept. Ik had gehoopt dat ook de link met vroeger in december was opgelost. Dat is dus niet zo. Wel is mijn reactie veel minder erg dan het toen was, ik heb toch wel iets bereikt sinds december. Met name de nare lichamelijke verschijnselen die ik in december had, waarbij ik het gevoel had dat mijn lichaam dood was, of opgeblazen, of in gasbelletjes uit elkaar viel, zijn nu vrijwel afwezig, en ook heb ik vrijwel geen last van herbelevingen van schokken. De eerste uren heb ik me ontzettend beroerd en doods gevoeld, maar daarna heb ik me steeds behoorlijk goed gevoeld. Het enige probleem is eigenlijk dat ik zo slecht slaap. En dat ik er niet achter kan komen waar dat precies door veroorzaakt is en er niet in slaag het op te lossen.

Na twee weken waarin ik langzamerhand ziek word door slaapgebrek herinner ik me het moment dat ik de brief van de Sociale Dienst las. Ik herinner me dat mijn eerste reactie was dat ze een domme fout hebben gemaakt en dat ik had kunnen weten dat ze deze fout zouden gaan maken. Ik dacht dat ik, als ik me dat eerder had gerealiseerd, deze situatie had kunnen voorkomen. Dit “ik had dit kunnen weten en kunnen voorkomen” raakt me sterk en ik besef dat het dit is wat die vloedgolf van angst, pijn, woede en radeloosheid in gang heeft gezet. Ik vraag me af hoe dit zo’n intense, extreme reactie heeft kunnen veroorzaken, een reactie die zo buiten proporties is. In een therapiesessie wordt me duidelijk dat ik als kind heb gedacht dat ik had kunnen voorkomen wat mijn vader deed, als ik bepaalde dingen maar had gedaan of juist niet had gedaan, dat ik heb gedacht dat ik had kunnen voorzien wat dit keer de reden zou zijn voor de “straf”. Dat ik heb gedacht dat ik me had kunnen aanpassen als ik dit maar op tijd had voorzien. Ik besef dat ik wanhopig heb geprobeerd uit te vinden wat ik fout had gedaan om dat voortaan anders te kunnen doen.

Nu ik dit zie realiseer ik me weer dat wat mijn vader heeft gedaan alleen maar te maken had met wat er in zijn hoofd opkwam, en dat het nooit ook maar enig verschil heeft gemaakt wat ik wel of niet deed. Dat ik helemaal niets heb kunnen doen om de situatie te veranderen. In mijn hoofd is er een heel systeem geweest van wat te doen en te laten, maar ik weet niet eens of hij mij dat heeft gezegd of dat ik het als verklaring heb verzonnen om het gevoel te hebben dat ik grip had op de situatie. Welk van de twee het ook was — het had niets uitgemaakt. Hij zou hoe dan ook hebben gedaan wat hij wilde doen. Ik kon niets doen om dat te voorkomen.

Wat betreft mijn huidige probleem met de Sociale Dienst — ik denk dat ik misschien inderdaad had kunnen voorkomen dat ze deze fout hadden gemaakt, maar ik vind ook dat ik dit allemaal niet had hoeven voorzien en voorkomen. Ze hadden gewoon zorgvuldiger moeten werken en zouden dit soort fouten niet mogen maken. Ik heb niets fout gedaan, het is niet mijn taak hun fouten te voorzien en te voorkomen, zoals ik in eerste instantie heb gedacht. Nadat ik hier zorgvuldig over heb nagedacht, nadat ik op deze manier heb geprobeerd te begrijpen wat waar en niet waar was in het heden en het verleden, slaap ik ineens veel beter.

En uiteindelijk, na mijn brief, krijg ik dan toch het geld — het hele bedrag dat ik volgens de uitspraak van de hoorzitting zou krijgen. Maar aan iets anders dan therapie ben ik deze maanden al met al niet toegekomen.

Alweer… slapen

Inmiddels is er een Nederlandse vertaling verschenen van het boek van Jenson. Voorin staat een kort commentaar van twee psychologen die positief staan tegenover Jensons methode. Ik besluit naar hen te schrijven en te vragen of het mogelijk is een paar gesprekken met een van hen te hebben. Ik wil nadrukkelijk niet bij hen in therapie maar wil wel een paar gesprekken. Ik wil doornemen waar ik mee bezig ben en vragen of ik wellicht dingen over het hoofd zie of dingen anders kan aanpakken. Ik heb het gevoel dat de therapie eigenlijk meer en sneller resultaat zou moeten hebben. Dat ik te moeizaam vooruitga. Ik heb het gevoel dat ik iets niet zie wat ik wel zou moeten zien. Mijn vooruitgang lijkt te haperen.

In juli 1997 heb ik twee gesprekken met een van de psychologen uit Jensons boek. Het lucht me op mijn geschiedenis aan haar te vertellen. Niet alleen is het fijn mijn verhaal aan iemand te vertellen, iemand die luistert, maar vooral doet het me goed dat ze mij gelooft. Ook helpt het om met haar over mijn slaapproblemen te praten, al houdt dat niet in dat ik nu ineens beter slaap. Na het eerste gesprek gebeurt dat trouwens wel: door de opluchting dat ik mijn verhaal eerlijk heb verteld en de begripvolle reactie die ik daarop krijg, slaap ik ineens veel beter. Maar dat is maar een week en daarna slaap ik weer net zo slecht als daarvoor. Wat me echter wel helpt, is dat deze psychologe zegt dat het voor iemand met een geschiedenis als de mijne heel normaal is om niet te kunnen slapen, dat ik ook na een paar jaar goede therapie nog niet kan verwachten dat ik goed zal slapen. Aan de ene kant vind ik dat pijnlijk om te horen, en vind ik het moeilijk te aanvaarden dat ze niet even een snelle oplossing bij de hand heeft waardoor ik zou kunnen slapen. Aan de andere kant brengt het me meer begrip voor mijzelf en heb ik hierdoor minder de neiging om te denken dat ik blijkbaar iets verkeerd doe in de therapie. Hierdoor kan ik ophouden om vertwijfeld te zoeken wat ik toch fout doe dat ik nog steeds niet voldoende slaap. Ik kan er nu op een rustiger manier aan blijven doorwerken, zonder van mijzelf te verwachten dat ik dit probleem wel even snel kan oplossen.

Ik merk dat ik dit het moeilijkste vind van een zelfhulptherapie, van een therapie zonder therapeut: dat ik geen kennis heb over wat normaal is in het verloop van zo’n proces, dat ik geen vergelijking kan maken met hoe snel of langzaam veranderingen bij anderen gaan. Ik merk dat ik daardoor het risico loop teleurgesteld af te haken. Het ligt voor de hand om te denken dat de therapie niet werkt wanneer de veranderingen die ik zo graag wil op zich laten wachten — terwijl de therapie in werkelijkheid wel werkt, alleen niet zo snel als ik zou willen. Het gesprek met deze psychologe brengt hierin duidelijkheid voor mij.

Of ik iets over het hoofd zie, daar komen we niet aan toe in deze gesprekken. Het blijkt niet mogelijk om in twee gesprekken zo uitvoerig alles te vertellen van mijn geschiedenis en de manier waarop ik met de therapie bezig ben dat deze psychologe hierover iets zou kunnen zeggen. Ook heeft ze eigenlijk geen tips of opmerkingen over de therapie die ik niet al weet. Daarover ben ik teleurgesteld, maar het maakt me ook duidelijk dat ik het heel goed zelf kan en dat ik al voldoende informatie heb. Zij zegt dat ik welkom ben als ik meer gesprekken wil, maar geeft ook aan dat ze vindt dat ik het zelf prima doe. Voor mij is het duidelijk dat ik niet weer bij iemand in therapie wil — een paar informatieve gesprekken waarbij ik op eigen benen blijf staan is prima, maar het moet niet meer worden dan dat. Mijn zelfstandigheid voelt belangrijk voor me, ik moet er niet aan denken weer in een cliëntrol terecht te komen.

Slapen blijft al met al een probleem, sommige weken gaat het beter, andere weken gaat het slechter. ’s Nachts voel ik me nog steeds vaak wanhopig en heb ik veel pijn. Hoe moe ik ook ben, al val ik ‘s avonds wankelend van uitputting op mijn bed neer, ik kan niet slapen. Toch voel ik me overdag duidelijk beter dan ik me altijd heb gevoeld. Ik heb dagen dat ik me geradbraakt voel, maar ook steeds meer dagen dat ik ondanks het grote slaaptekort duidelijk minder moe ben dan ik altijd ben geweest, dagen dat ik meer energie heb om dingen te doen. Ik kan zeker niet de hele dag functioneren, maar toch meer en beter dan altijd het geval is geweest. Dat komt voor een deel doordat alles me zo veel makkelijker afgaat, ik hoef geen enorme krachtsinspanning meer te leveren om de planten water te geven, eten te koken of iemand te bellen, dat soort dingen gaat tamelijk “vanzelf”. Ik functioneer behoorlijk goed voor mijn doen, ik hoef minder op mijn tenen te lopen, ik voel me helder en kan meer initiatieven nemen.

In deze maanden neem ik één keer ‘s nachts een slaapmiddel in. Ik heb zo’n intense behoefte aan rust. Ik wil gewoon slapen en grijp weer naar de pillen. De volgende dag voel ik me beroerd. Moe en van de wereld en met een overweldigend verlangen naar slaap. Met een gevoel van slaaptekort dat ik me herinner van de jaren dat ik op pillen heb geslapen, en dat veel erger is dan wanneer ik nu een nacht weinig of niet slaap. Het is duidelijk dat pillen geen oplossing bieden voor mijn slaapprobleem, ook niet tijdelijk. Maar de echte oplossing laat wel erg lang op zich wachten, er zit wat dat betreft bijzonder weinig schot in de therapie.

Hoe moet ik hiermee verder? Toch weer naar een therapeut? Ik heb zo’n behoefte aan iemand die dit probleem voor mij oplost. Maar ik weet ook dat hulpverleners dat niet kunnen. Ik kom steeds weer tot de conclusie dat ik geen andere keus heb dan doorgaan met de therapie waar ik mee bezig ben. Deze therapie heeft enorme verbeteringen gebracht, en niets anders heeft dat tot nu toe gedaan. Hoe ver ik ermee zal komen weet ik niet, maar met opgeven bereik ik in ieder geval niets. Ik houd mijzelf voor dat de therapie volgens Stettbacher veel tijd, geduld en doorzettingsvermogen kost en dat hij aanraadt om niet op te geven. Stettbacher schrijft dat blijvende verbeteringen niet direct te verwachten zijn, en dat het belangrijk is om niet op te geven maar te blijven protesteren en voor jezelf op te komen in de therapie, voor je rechten als kind en voor hoe je als volwassene geweest had kunnen zijn als je niet beschadigd was.

Dus houd ik vol. Ik ga door met de therapie. Maar ik ben de therapie ook verschrikkelijk zat. Ik wil zo graag gewoon leven in plaats van steeds weer problemen op te moeten lossen die mij het leven onmogelijk maken. En ondanks de woorden van de psychologe maak ik me zorgen over deze slapeloze situatie. Het is ook frustrerend mijn leven voorbij te zien gaan in uitputting, niet te kunnen leven maar te moeten overleven.

Ik haal boeken uit de bibliotheek over slaapproblemen, ook al weet ik dat ik alle tips die daarin staan al duizenden keren zonder resultaat heb geprobeerd, al lang voordat die boeken ooit geschreven zijn. Maar nu lees ik iets waaraan ik wel degelijk iets heb: in deze boeken staat dat avondmens of ochtendmens zijn een biologisch gegeven is dat je niet kunt veranderen.

De schrijvers zeggen dat vroegere opvattingen hierover moralistisch en onjuist zijn geweest, dat het achterhaald is dat vroeg gaan slapen en vroeg opstaan gezond en moreel juist zou zijn en laat naar bed gaan en laat opstaan ongezond en moreel verwerpelijk. Zij schrijven dat het belangrijk is je leven in te richten naar je eigen natuurlijke ritme, dat dat is wat goed en gezond is, niet één van beide ritmes. Er is niets verkeerd aan mensen die avondmens zijn, er ligt alleen een probleem doordat het maatschappelijk leven is ingesteld op ochtendmensen. Het kan moeilijk zijn om werk- en privéomstandigheden te vinden die passen bij je eigen natuurlijke ritme wanneer je een avondmens bent, maar dat is wel de beste oplossing. Het is in ieder geval onmogelijk deze biologische klok van je lichaam te veranderen. Het is niet mogelijk om jezelf in een ochtendmens te veranderen als je een avondmens bent, en het is onbegonnen werk om te proberen dat toch te doen.

Nou, dat heb ik inderdaad ervaren, dat dat onbegonnen werk is, en ik moet intens huilen nu ik dit lees. Ik moet zo verschrikkelijk huilen als ik lees dat ik niet verkeerd ben en dat het niet mijn schuld is dat ik een avondmens ben. Mijn hele kindertijd lang, en daarna ook nog heel wat keren, heb ik te horen gekregen dat ik slecht was omdat ik ‘s avonds actief werd en niet kon slapen, en me ‘s ochtends beroerd voelde en niet goed kon functioneren en liefst uitsliep. Steeds weer en steeds weer heeft mijn moeder me gezegd dat dit verkeerd was en dat ik moest veranderen, dat háár manier van leven, vroeg naar bed en vroeg op, juist en gezond was en dat daar deugd uit sprak. Steeds weer heb ik te horen gekregen dat al mijn problemen, ziektes, slapeloosheid of wat dan ook, wel zouden verbeteren als ik maar eens de discipline zou opbrengen om ‘s ochtends vroeg actief te zijn en ‘s avonds vroeg te slapen. Als ik maar genoeg mijn best deed, als ik maar consequent volhield, dan zou dat me uiteindelijk wel lukken. Het zou de oplossing zijn voor alles, wat dan ook.

Er was zelfs een liedje in mijn kindertijd dat dit zei — in de coupletten werd steeds een of andere kwaal beschreven en dan kwam het refrein: “Vroeg naar bed gaan, vroeg naar bed gaan, dat is het enige medicijn…” Dat liedje heeft altijd in mijn hoofd gedreind, tot op de dag van vandaag. Elke dag van mijn leven, als kind en als volwassene, heb ik mijzelf veroordeeld om het feit dat ik een avondmens ben. Elke dag weer heb ik geprobeerd dit te veranderen. En bij de slaapproblemen die ik toch al had, heeft dat mijn situatie extra moeilijk gemaakt.

Nu huil en huil ik om alle onterechte boze en veroordelende woorden, huil ik bij het besef dat ik goed was maar al die tijd heb moeten denken dat ik slecht was. Huil ik om al die tijd dat ik veroordeeld ben om iets wat op zichzelf al vervelend genoeg was, aangezien school en andere verplichtingen hiermee geen rekening hielden. Al die tijd ben ik veroordeeld om iets waar ik juist hulp en begrip bij nodig had. Ik huil om al die tijd dat ik verwijten heb gekregen waar ik steun had moeten krijgen. Aldoor weer kwam mijn moeder met verwijten en beschuldigingen, het lijkt wel alsof het simpelweg nooit bij haar is opgekomen dat iets aan mij goed kon zijn, en al helemaal niet als het afweek van hoe zij zelf was. Maar ik had er recht op dat ze mij wel als goed zag, dat ze mij benaderde vanuit het besef dat ik goed was. Ik had er recht op dat ze mij wilde leren kennen zoals ik was, zonder moreel oordeel, en mij wilde helpen om op een reële manier om te gaan met de mogelijkheden en onmogelijkheden die ik had als de mens die ik was. Ik had het nodig dat ze mij wilde helpen te leven met wat het leven mij had meegegeven. Ze had er voor mij moeten zijn. Niet steeds maar tegen mij moeten zijn, er voor mij moeten zijn.

Nu ik deze boeken lees, stop ik met mijn pogingen om mijzelf in een ochtendmens te veranderen en leef ik meer naar mijn eigen ritme. Ik doe ‘s avonds wat ik dan wil doen, en ik vermijd het ‘s ochtends verplichtingen te hebben — zonder daarbij steeds tegen mijzelf te zeggen dat dat slecht is en moet veranderen, zoals ik zo lang heb gedaan. Ik leef volgens mijn eigen ritme en ga om één uur ‘s nachts naar bed, omdat ik dan de meeste kans heb snel in slaap te vallen en ik toch nooit voor die tijd slaap, hoe vroeg ik ook naar bed ga of hoe moe ik ook ben.

Dit accepteren van mijn patroon brengt geen veranderingen in mijn slaapproblemen — ik blijf dezelfde problemen houden met inslapen en doorslapen, en blijf net zo veel nachten met nauwelijks slaap houden, met wanhopige huilbuien en een lichaam dat me overal zeer doet van uitputting. Nachten met therapiesessies, met warme melk met honing en alle mogelijke trucjes die helaas niet helpen. Maar ook al brengt de acceptatie dat ik avondmens ben geen verandering in mijn slapeloosheid, toch scheelt het veel in hoe ik over mijzelf denk, toch is het een duidelijke verbetering. Ik doe het mezelf niet meer aan om om tien of elf uur ‘s avonds naar bed gaan, zoals ik eerder wel deed — in ieder geval bespaar ik mezelf zo een aantal radeloze wakkere uren, hoe dan ook.

Een thema dat nog steeds vaak opduikt in mijn dagelijks leven, en dus ook in de therapie, is het wel of niet geloven van mijn geschiedenis. Soms helpt het als ik diep gemeend kan zeggen dat het verschrikkelijk is dat ik gedwongen ben zo veel tijd en energie van mijn leven te steken in het kunnen geloven van mijn eigen geschiedenis, in het uitzoeken van wat er wel en niet is gebeurd. Dan slaap ik weer beter.

Niet geloven wat ik heb meegemaakt blijkt ook consequenties te hebben voor mijn gezondheid. In oktober ’97 merk ik dat het geen toeval is dat ik vrijwel niet meer ziek ben geweest sinds ik in december ’96 tot de conclusie kwam dat de beelden in mijn hoofd echt gebeurd zijn. Op televisie zie ik een documentaire waarin enkele vrouwen vertellen over hun ervaringen met misbruik en mishandeling. Terwijl ik hiernaar kijk komt mijn eigen geschiedenis ineens ongeloofwaardig op me over. Ik heb het gevoel dat ik nooit over mijn herinneringen zal kunnen vertellen zoals deze vrouwen doen, omdat niemand mij zal geloven. Omdat het te absurd is. Een paar uur later ben ik ziek. Keelpijn, koorts, de bekende verschijnselen. Ook slaap ik ineens weer slecht, nadat dit een poosje beter is gegaan.

Hoe komt het dat ik ineens ziek en slapeloos ben? Bij alles wat ik doorwerk van de dag dat ik ziek ben geworden, stuit ik wel op mijn reactie van “niemand zal me geloven, mijn verhaal is te absurd en ik heb geen bewijzen”, de gedachten die ik had toen ik naar deze documentaire zat te kijken. Ook besef ik dat ik niet alleen verwacht dat anderen mij niet zullen geloven, maar dat ik ook mijzelf niet meer geloof, of ergens rationeel nog wel maar diep vanbinnen niet. Ik moet erg huilen als ik me dat realiseer, maar het brengt geen verandering in het ziek zijn of het niet meer slapen.

Een paar dagen later lees ik door wat ik tot dan toe geschreven heb over mijn geschiedenis en de zelfhulptherapie. Ik lees een bladzijde met dromen. Veel van die dromen gaan over misbruik en mishandeling met elektrische schokken. Terwijl ik deze dromen lees gaat het ineens door me heen: “Dit is echt gebeurd. Dit is wat ik heb meegemaakt.” Op dat moment voel ik dat besef sterk en diep. In de uren daarna verdwijnen de keelpijn en de koorts, en de volgende nacht slaap ik ineens weer vier uur achter elkaar door.

Zo belangrijk is het dus om de werkelijkheid te erkennen, de werkelijkheid als werkelijkheid te zien, ook diep vanbinnen. De dagen dat ik wel mijn reactie op de documentaire had opgemerkt, de dagen dat ik besefte dat ik mijn verhaal diep vanbinnen niet meer geloofde toen ik naar de documentaire had gekeken, die dagen geloofde ik nog steeds het verhaal van mijn geschiedenis niet. En daardoor bracht dit besef van het thema “niet geloven” geen verbetering van mijn ziekte en van mijn slaapproblemen. Pas nu ik mijzelf weer geloof, komt mijn vermogen om te slapen weer terug en knap ik op van de infectie die ik heb.

Een paar weken later lees ik weer een gedeelte van wat ik heb geschreven, ik lees over het moment, eind ’96, dat ik ging beseffen wat ik als klein kind had meegemaakt. Weer voel ik heel stellig: “Dit is echt gebeurd. En het had nooit mogen gebeuren.” De nacht erna slaap ik vijf en een half uur achter elkaar — iets wat nog steeds heel zeldzaam is.

Alweer… praten

Er zijn een aantal thema’s herkenbaar in voorvallen die mij extra beroerde en slapeloze nachten bezorgen. Ik heb steeds een moeilijke nacht als iemand me heeft aangeraakt terwijl ik dat niet wilde of op een manier die ik vervelend vond. Ook slaap ik ineens vrijwel helemaal niet meer als ik overdag erg heb gehuild maar dat moest stoppen voordat ik uitgehuild was, bijvoorbeeld omdat de deurbel ging of ik weg moest. En me niet eerlijk uitspreken in sociale contacten, met name over zaken die tussen mij en de ander in het contact spelen, heeft een desastreuze uitwerking op mijn slapen. Hoewel ik al veel meer zeg van wat ik voel en denk dan ik altijd heb gedaan, worden de situaties waarin ik dat nog niet doe nu heel duidelijk — het raakt een oud mechanisme dat mijn slaap blokkeert, ook als het huidige voorval niet zo veel voorstelt. Telkens als ik welwillend en beleefd oneerlijk ben geweest, is de nacht daarna een ramp.

Hiermee ga ik in de therapie aan de slag, maar ook in het dagelijks leven, door dan steeds te proberen me toch nog uit te spreken. Dat vind ik niet makkelijk. Ik vind het eng om een duidelijke mening te hebben, ik ben bang om het oneens te zijn, bang erop betrapt te kunnen worden dat ik ongelijk heb, bang dat kritiek mij zal vernederen en vermorzelen — zoals mijn vader mij vernederde en vermorzelde als hij kritiek gaf, mijn vader die er plezier aan beleefde mij onderuit te halen. Nog steeds ben ik makkelijk van tafel te vegen, nog steeds heb ik het gevoel dat ik mijn woorden niet kan verdedigen, bij het minste of geringste teken dat een ander het niet met me eens is trek ik mij bang terug. En helemaal als de ander dit op een minder vriendelijke manier brengt of zelfs tekenen van woede vertoont — ik zit te trillen van angst als ik merk dat de ander boos wordt. En nog steeds word ik geregeld misverstaan en niet verstaan of wordt er verdraaid wat ik heb gezegd, zoals waarschijnlijk ieder mens geregeld overkomt, en vaak zonder slechte bedoelingen van de ander. Zodra iemand ook maar enigszins verdraait, negeert of ontkent wat ik zeg, voel ik me overspoeld worden door een intense, verlammende, radeloze machteloosheid bij het besef dat mijn woorden altijd verdraaid, genegeerd of ontkend kunnen worden.

Ik besef hoe machteloos en sprakeloos ik ben geweest in het contact met mijn vader, hoe hij mij keer op keer de mond heeft gesnoerd, mijn woorden heeft ontkracht en weggegooid — zoals die keer dat hij simpelweg negeerde, ontkende en verdraaide wat ik zei toen ik aangaf dat ik niet geloofde dat mijn naam op mijn rug geschreven stond. Ik was zo klein toen, ik heb niet op gekund tegen de overmacht van zo’n volwassen man van wie ik ook nog eens afhankelijk was. Dit is zo vaak gebeurd, hij heeft dit dag in dag uit stelselmatig gedaan. Ik ben zo intens bang geweest in het contact met hem en mijn woorden hebben zo krachteloos en afwezig gevoeld. Met deze angst, de angst volledig ten onder te gaan zodra een ander zijn mond opendoet, worstel ik nu steeds weer in het dagelijks leven. Die angst verlamt me, maakt mijn hoofd blanco, laat me sprakeloos achter.

In de therapie kom ik steeds weer tot het besef dat mijn onvermogen om mijzelf aan mijn vader duidelijk te maken, mijn onvermogen om mijn vader te bereiken, om door hem gehoord en verstaan en begrepen te worden, niet is ontstaan doordat er iets mis was met de woorden waarin ik mijzelf uitdrukte, maar dat de fout bij hem heeft gelegen. Dat hij ervoor heeft gekozen om mij niet te horen, mij niet te begrijpen. Dat hij dit heeft gedaan omdat hij dat zo wilde. Hij wilde mijn woorden verdraaien. Het was niet zo dat mijn woorden onduidelijk of dubbelzinnig waren — voor iedereen die erop uit was om te begrijpen wat ik zei zouden ze zonder meer duidelijk zijn geweest, was er geen misverstand mogelijk geweest en geen enkele reden om mijn woorden te verdraaien. Ik heb altijd geprobeerd de situatie te verbeteren door naar woorden te zoeken, door naar de juiste woorden te zoeken, door naar meer woorden, duidelijker woorden te zoeken, panisch ben ik bezig geweest met het zoeken naar de juiste woorden. Maar het heeft helemaal niet aan mijn woorden gelegen, het heeft niet aan mij gelegen. Ik heb simpelweg geen kans gehad tegen botte onwil en leedvermaak of zelfs sadisme. Ik ben al die tijd blijven denken dat als ik maar de juiste woorden zou vinden, dat ik dan gehoord zou worden, ik ben al die jaren radeloos naar de goede woorden blijven zoeken, de woorden waarmee ik mijn vader kon bereiken. Maar dat hielp niet want het lag niet aan mijn woorden.

Nog steeds doe ik mijn uiterste best de ultieme woorden te vinden, de woorden die zo precies weergeven wat ik bedoel dat ze niet meer verkeerd begrepen kunnen worden. Maar dergelijke woorden bestaan niet. Steeds weer moet ik tot de conclusie komen dat ik niet iets fout doe, dat ik niet faal in het vinden van de juiste woorden. Dat het simpelweg zo is dat ik er geen macht over heb wat een ander met mijn woorden doet. Nu ik zie en voel hoe intens mijn drang naar het vinden van DE JUISTE woorden is, wordt het makkelijker voor me om te zien dat ik weliswaar als kind geen andere mogelijkheden heb gehad, maar dat ik nu op veel momenten effectievere strategieën tot mijn beschikking heb. In het contact met mijn vader ben ik blijven proberen mijzelf te verduidelijken of heb ik helemaal niets meer gezegd. Ik heb toen niet de kans gehad om te vragen: “Waarom doe je zo, je geeft mijn woorden verkeerd weer, waarom verdraai je wat ik zeg, waarom veeg je van tafel wat ik vertel? Ik wil dat je naar me luistert.” De mensen met wie ik nu te maken heb zijn niet mijn vader en ik ben niet langer een klein, afhankelijk, machteloos kind. Ik merk dat ik nu in veel situaties dit soort vragen wel kan stellen, dit soort opmerkingen wel kan maken. En als ik mij uitspreek en merk dat ik daarbij veilig ben, verbetert mijn slaap vaak (voor korte tijd) aanzienlijk.

Ook ben ik diep geraakt door de keren dat ik deze vragen niet hoef te stellen, de keren dat iemand op een prettige, integere manier met me omgaat. Gelukkig gebeurt ook dat geregeld, bij vriendinnen en in correspondenties. Deze positieve ervaringen, waarin ik begrepen of gehoord word, helpen mij mijn verwarring op te lossen, brengen licht en helderheid, brengen veiligheid en ontspanning, geven ruimte voor leven, voor bestaan.

Bij mijn gevecht om me uit te spreken kom ik ook steeds mijn dwangmatige glimlach tegen, die ik zo heb gehaat in het contact met mijn vader. De glimlach die steeds op mijn gezicht kwam als ik woedend op hem was en hem dat wilde zeggen. Zelfs toen ik al volwassen was, gebeurde dat me steeds weer — in plaats van hem te zeggen: “Ik wil niet dat je dit doet en ik ben kwaad op je, je hebt niet het recht dit te doen”, wat ik zo verschrikkelijk graag tegen hem wilde zeggen, glimlachte ik en werd lief, kinderlijk en dociel. Ik haatte dit, ik haatte die glimlach die kwam zonder dat ik daar controle over had, ik haatte die glimlach die op mijn gezicht verscheen terwijl ik dat absoluut niet wilde. Soms draaide ik me om zodat mijn vader in ieder geval niet die glimlach kreeg. Ik slaagde er weliswaar niet in om te zeggen wat ik wilde zeggen, ik kon hem niet mijn woede en protest geven, maar hem die glimlach niet geven lukte dan toch wel, en dat voelde goed.

Het valt me nu op dat ik nog geregeld met een dergelijke glimlach reageer — dat ik me schik en glimlach als ik eigenlijk ter sprake zou willen brengen dat een contact niet zo goed loopt. En ik merk maar al te goed dat die glimlachende, bevestigende reactie niet een oplossing van de situatie brengt, dat de situatie dan alleen maar blijft zoals die was en verder verslechtert. Ik probeer te leren deze situaties te herkennen en me dan bewust te zijn van het verschil tussen vroeger en nu, om dan niet te glimlachen en wel te zeggen wat ik wil zeggen, tegen alle oude signalen in die me waarschuwen voor groot gevaar.

Het blijft een gevecht: om te praten, om mij eerlijk uit te spreken. Maar ik geef niet op. Ik blijf vechten, vechten voor het recht op mijn woorden, vechten voor mijn recht om gehoord en erkend te worden in wat ik zeg — toen en nu. En het gaat me steeds beter af om toch mijn gevoelens en gedachten uit te spreken, het kost me minder moeite dan eerder, en ik ben minder bang daarna. Ik ga vooruit.

Nachtmerries en andere dromen

Nachtmerries worden steeds zeldzamer. Had ik die in het verleden elke nacht, en vaak meerdere per nacht, nu gaan er soms weken voorbij zonder een enkele nachtmerrie. Maar soms heb ik ze nog wel.

Ik droom over een therapiegroep waarin mishandeling wordt nagespeeld door iedereen vast te binden. Ik raak in paniek en overstuur en loop erbij weg. Ze binden mij dan niet vast, maar er is ook geen enkele aandacht voor hoe ik me voel.

Ik droom dat ik bij een of andere hulpverleningsinstantie binnenstap. Ik hoor een stukje van de behandeling van een meisje in de kamer ernaast. Een meisje van een jaar of dertien, veertien. Ze moet een liedje zingen over alle leuke dingen die ze doet, want door het doen van leuke dingen (paardrijden in haar geval) en door daarover een liedje te schrijven en te zingen, zou ze alles weer positiever zien. Ik hoor het meisje zingen, ik hoor hoe ze vertwijfeld opvolgt wat haar behandelaars zeggen, en ik huil en huil. Ik huil om de vertwijfeling in haar stem en haar duidelijke verlangen gehoord te worden in wat ze werkelijk voelt, om haar wanhoop bij dit toneelspel. Ik moet zo verschrikkelijk huilen dat ik er wakker van word.

In een kasteel wordt een moord gepleegd op een koning. Ik zie het gebeuren, en ik zie ook wie het gedaan hebben, een man en een vrouw. Ik vertel aan de politie wat ik gezien heb, wie het gedaan hebben. Ze geloven me niet, en doen niets want de man is een prins. Ondertussen ben ik nu wel in gevaar doordat ik hen aangewezen heb. Er gebeurt nog iets anders op het kasteel. Van bovenaf kijk ik in een grote glazen kamer waarin mensen gemarteld worden met elektriciteit. De vloer van de kamer staat onder stroom. Er zitten een heleboel mensen in de kamer en ze zien er nauwelijks menselijk meer uit. Het is afschuwelijk om te zien. Ze hebben straf maar ik weet niet waarvoor.

In mijn dromen is er vaak verwarring of mijn vader dood is of niet. In deze droom is het ineens het volkomen duidelijk: mijn vader is springlevend en ik sta recht voor hem en ik grijp deze kans met beide handen aan om hem om duidelijkheid te vragen. Ik vraag mijn vader of hij erkent dat hij mij mishandeld heeft met elektriciteit. Hij reageert ontwijkend, draait eromheen, maar ik blijf duidelijk en stevig en zeg dat ik wil dat hij me vertelt wat hij heeft gedaan.

En dat doet hij dan. Hij vertelt het verhaal zoals ik me dat herinner. Nu deze geschiedenis zo duidelijk in alle gruwelijkheid op tafel ligt krijg ik meer begrip en meeleven van anderen. Ik begrijp ook meer van mijzelf. Maar mijn moeder heeft alleen aandacht voor wat mijn vader haar heeft aangedaan en blijft zichzelf zien als zijn grootste slachtoffer.

Dan blijkt in mijn droom dat mijn vader mijn moeder bedrogen heeft met een andere vrouw. Mijn vader laat een video-opname zien met beelden van een andere vrouw, een volwassen vrouw die zijn minnares is geweest. Met haar heeft hij dezelfde dingen gedaan als met mij. In de videobeelden smeekt ze hem om geen elektriciteit bij haar te doen, geen elektriciteit, alsjeblieft geen elektriciteit, geen stroom door haar lichaam, geen stroom, alsjeblieft. Smekend kruipt ze op het bed rond. Het beeld richt zich op de draden die daar liggen, de draden die dit konden doen. De vrouw smeekt hem lief voor haar te zijn.

Met tranen in mijn hart en mijn volle aandacht erbij kijk ik naar deze film, deze film die me iets over mij vertelt. Ik kijk aandachtig, om iets te weten te komen over mijn eigen geschiedenis. Ik kijk naar de draden, de draden die ook mij zo veel pijn hebben gedaan, ik bekijk ze nauwkeurig. Ik hoor de vrouw de woorden “elektriciteit” en “stroom” zeggen en die woorden doen zo zeer en maken me zo bang, maar het doet me ook goed dat zij ze uitspreekt, dat zij voor mij de werkelijkheid benoemt, hoorbaar benoemt. Het is zo gruwelijk deze film te zien — maar de vrouw op de film was volwassen en had nog heel veel macht en onafhankelijkheid. Het werkelijk gruwelijke van de film is dat dit met mij als klein, machteloos kind is gebeurd. Ik huil en huil.

In een droom zit ik met een therapiegroep in de trein, we gaan ergens naartoe waar we een paar weken therapie zullen krijgen. Bastiaan, mijn kat, is ook mee. Maar ook mijn vader. Ik vraag me af hoe ik op deze manier met therapie bezig kan. Ik heb het gevoel dat ik dat niet zal kunnen, met mijn vader erbij. Met hem erbij kan ik niet vertellen wat hij vroeger heeft gedaan. Als we aankomen ga ik naar de therapeute om dit te bespreken, maar al voordat ik iets heb gezegd barst zij los en zegt op venijnige, hatelijke toon: “Zo, jij wou weer even komen demonstreren hoe slim je bent? Nou, als je maar weet dat wij daar niet van gediend zijn en dat wij daar niet van onder de indruk zijn. Ga jij maar eens leren je wat bescheidener op te stellen en hoepel nou maar op, ik hoef jou niet.” Ik ben verbijsterd en wanhopig en het doet zo zeer en ik weet niet meer waar ik heen moet.

Ik ben nergens veilig meer en ik heb geen vertrouwen meer in deze therapie. Ik durf niet meer te vertellen wat ik heb meegemaakt en hoe ik me voel. Ik weet niet meer hoe het verder moet. Als een gewond diertje trek ik me terug, ga naar de kamer waar de katten zijn. Er zijn een heleboel katten. Zodra ik de deur binnenstap herkent Bastiaan mij en komt naar me toe met zijn bekende Bastiaan-mauwtje. Dat doet me goed, ik ben zo blij met hem en het troost me hem te aaien. Als ik wakker word, doet de reactie van de “therapeute” me erg aan mijn moeder denken.

Er is iets met vluchtelingenkinderen die tweedehands kleren moeten kopen en zelfs daarvoor niet voldoende geld hebben. Ik besluit kleding die ik toch niet meer draag weg te geven. Ik kijk in mijn kasten en zoek wat uit, en ik pas nog wat kleren om te kijken of ik ze soms zelf nog aan wil. Dan komt mijn moeder en ze doet hatelijk en scherp, ze is boos en zegt dat ik niet zo moet aarzelen en die kleren gewoon weg moet geven want ik weet toch immers wel dat ik ze al in geen tijden heb gedragen en bovendien heb ik de laatste tijd allemaal nieuwe kleren gekocht, dat heeft ze heus wel gezien en dat slaat ook nergens op en moet ook maar eens afgelopen zijn. Haar woorden doen pijn. Ik moet denken aan toen ik een jaar of zeven was en mijn moeder mij dwong om een van mijn poppen weg te geven.

Ik heb een pakje gemaakt voor mijn moeder, met een popje erin en een briefje waarop ik heb geschreven wat mijn vader heeft gedaan, dat hij mij met elektriciteit heeft mishandeld. Ik twijfel of ik het pakje aan mijn moeder zal geven, om haar zo te vertellen wat ik heb meegemaakt. Zal ik wel, zal ik niet? Maar nu vindt ze het per ongeluk en maakt het open. Ze reageert geschokt en verbijsterd en gelooft me, maar is me op geen enkele manier tot steun. Ze blijft alleen met zichzelf bezig.

Ik droom dat ik in bed lig, met mijn gezicht naar de muur. Ik hoor iemand achter me, weet dat het mijn vader is en ben verstijfd van doodsangst en paniek omdat ik weet wat voor ondraaglijke pijn ik weer zal doormaken. Ik hoor mijn vaders ademhaling, het is afschuwelijk hem zo vlak bij me te voelen. Ik voel dingen die hij aan mijn lichaam doet en hevige pijn en verkramping boven in mijn nek.

Een klein meisje opgekruld in een hoekje van haar ledikantje, slapend. Verdriet omdat dit meisje wakker gemaakt is en pijn heeft.

Een flard van een droom waarin ik erg pijn vanonder heb en daarom met therapie bezig ben. Ik ben opengescheurd, wijd open en heb pijn vanonder.

In mijn droom ben ik op een psychiatrische afdeling. Nietsvermoedend loop ik mijn kamer in — en raak dan volkomen overstuur en in paniek. De kamer is ingericht met een speciaal bed en met apparatuur die erop wijst dat hier elektroshocks worden gegeven. Dit gaat nu ook met mij gebeuren, denk ik. Ik ben verschrikkelijk bang en voel me wanhopig en machteloos. Dan komt de psychiater binnen en vindt me daar. Ze neemt me meteen mee en stelt me gerust en zegt dat dit niet meer mijn kamer is en dat dit niet met mij zal gebeuren, heb ik niet gezien dat mijn spullen hier niet meer liggen? Ze brengt me naar mijn nieuwe kamer. Dit is een klein kamertje en het is er koud door de stenen vloer, maar gelukkig is er wel een kleedje op de grond. Ik ben verdrietig over de mooie grote kamer die ik kwijt ben. En ik ben overstuur van de doorstane angst.

Daarna zit ik op een bank bij de psychiater. Zij stelt gedetailleerde vragen over mijn lichamelijke klachten en herbelevingen. Ik vind het pijnlijk om antwoord te geven maar doe het zo goed mogelijk. Ergens halverwege een antwoord van mij gaat ze opeens weg. Ik voel me ver weg en in nood en blijf ineengedoken op de vloer achter. Ik wacht tot ze terug zal komen en we een afspraak zullen kunnen maken voor een volgende keer. Maar dan komt de volgende patiënt binnen, een vroegere klasgenote. Ik schaam me, voel me betrapt, en probeer me zo normaal mogelijk te gedragen, toneel te spelen. Er zijn mensen die observeren en ik zie hen denken: zie je wel, ze kan zich best normaal gedragen, ze hoeft zich niet zo terug te trekken. Mijn vroegere klasgenote vertelt enthousiast over een opleiding die ze gaat doen en ik ben jaloers dat zij gezond genoeg is om te kunnen studeren.

In de volgende flard zit mijn vroegere klasgenote daar op de bank en ik lig weer op de grond, ver weg, alsof ik in slaap ben maar daarbij toch nog kan waarnemen. De psychiater komt binnen, ik hoop dat ze een volgende afspraak met mij zal maken en ons gesprek zal afronden. Maar dat doet ze niet. Ze komt alleen voor mijn klasgenote en is verbaasd mij nog aan te treffen. Was ze in het gesprek met mij vriendelijk, warm, betrokken en begripvol geweest, daar is nu niets meer van over. Ze zegt op wat sarcastische toon iets als: “Kijk, wat ligt daar nou op de grond.” Ze vindt me irritant en lastig en is niet in me geïnteresseerd. Ze besteedt verder geen aandacht aan me en maakt geen volgende afspraak.

Dan ben ik met haar in een andere kamer. Het ziekenhuis is ook een studiecentrum geworden voor hbo en universiteit. Ik wil graag aan de universiteit studeren maar ik heb het gevoel dat ik geen recht heb dit te proberen omdat ik dit immers toch niet zal kunnen. Als de psychiater ernaar vraagt zeg ik: “Het zal me toch niet lukken want ik ben immers gek?” Ik voel me verdrietig. Maar zij zegt dat het me vast wel zal lukken.

In een droom probeer ik met mijn vader te praten en confronteer hem met mijn herinneringen aan misbruik en mishandeling. Hij lacht me niet alleen uit, hij is openlijk volstrekt onverschillig over hoe het met me gaat en over wat ik heb meegemaakt. Hij reageert koud, gevoelloos, cynisch, wreed en sadistisch en alleen in zichzelf geïnteresseerd. Vervolgens raakt hij me aan en pakt hij me vast en het lukt me niet meer om te ontsnappen. Hij houdt me beet en wreed grijnslachend, koud, kietelt hij me en ik voel me alsof ik doodga van radeloosheid en wanhoop omdat ik hem niet kan stoppen en niet los kan komen. Lichamelijk is het niet pijnlijk, maar vanbinnen, emotioneel, doet het gruwelijk zeer en ik kan niet meer van wanhoop en angst. De mensen om me heen staan erbij en zien het, maar grijpen niet in. Ik word doodsbang wakker en voel me verscheurd. Afschuwelijke machteloosheid en vernedering en ontkenning van mijn ik, mijn grenzen vertrapt.

Nachtmerrie waarin ik doodsbang ben voor een hevig onweer dat mijn vader is. Het bliksemt en dondert buiten hevig in mijn droom. Het onweer is mijn vader, mijn vader is een god die bliksem en donder over mij uitstort. Ik probeer een veilige plek te vinden waar ik beschermd ben. Gelukkig zijn er in mijn droom meer mensen in het huis, dat helpt. Maar toch word ik doodsbang wakker.

Af en toe heb ik prettige dromen. Dromen waarin ik geniet van fluit spelen en waardering krijg voor mijn spel. Dromen waarin ik schaats, me voort voel vliegen over het ijs, opga in het ritme van de beweging en de snelheid. Tot mijn grote verbazing — ik kan mij namelijk niet herinneren dat ik daarvoor heb getraind — win ik zelfs een medaille op de Olympische Spelen, op de 1500 meter.

Mijn lichaam

Herfst ’97 realiseer ik me hoe volkomen onbekend ik ben met mijn eigen lichaam. Ik realiseer me dat het belangrijk is mijn lichaam te leren kennen. Ook besef ik ineens dat het ontdekken van mijn lichaam te maken heeft met ontdekken wat ik voel — en niet met wat ik zou moeten voelen maar niet voel. Ik moet erg huilen bij dit besef. Ik voel in mijn lijf niet datgene wat anderen schijnen te voelen — maar wat ik niet voel kan niet het uitgangspunt zijn van mijn ontdekkingsreis.

Ik besluit om eerst eens een grote spiegel in de badkamer te hangen. Die heeft daar in het verleden ook gehangen, maar ik heb hem weggehaald. Destijds ging ik me alleen maar leeg en onwezenlijk voelen als ik mijzelf zag. De spiegel heeft een paar jaar in een donker hoekje gestaan. Deze dag hang ik hem weer op.

Daarna kleed ik mij uit en bekijk mijzelf. Ik ben verrast: ik vind mijzelf mooi! Met verbazing en plezier sta ik naar mijzelf te kijken en houd van mijzelf, van mijn lichaam. Dat is volkomen nieuw en heerlijk. Ik heb mijn lichaam altijd gehaat, ik heb er een afschuw van gehad, ik heb het lelijk gevonden. Nooit heb ik mijn lichaam kunnen accepteren, en het al helemaal niet kunnen waarderen. Nu kan ik dat wel. Ik moet verschrikkelijk huilen en kijk en kijk en kijk…

De tranen blijven komen, terwijl ik besef hoelang ik een hekel aan mijn lichaam heb gehad terwijl ik al die tijd mooi en goed ben geweest. Ik besef hoe erg het is dat mijn lichaam me al die jaren “afgepakt” is geweest. Ik voel intens verdriet over al die dingen die mij aangedaan zijn, die hebben gemaakt dat ik ben gaan denken dat ik lelijk ben, die hebben gemaakt dat ik een hekel aan mijn lichaam heb gekregen, die hebben gemaakt dat ik ben gaan denken dat het de schuld van mijn lichaam was wat er met mij gebeurde — op dit moment weet en voel ik dat dat niet waar is. Ik houd van mijzelf en ik geniet er intens van om mijn lichaam in de spiegel te zien. Ik mag gezien worden. Ik kan mijzelf aanraken zonder leeg te worden.

De dagen en weken na deze ervaring merk ik dat ik veel meer energie heb dan ik altijd heb gehad. En hoewel dit op en neer gaat, blijf ik me de maanden daarna opvallend beter voelen dan ik altijd heb gedaan. De vermoeidheid die me zo lang parten heeft gespeeld is voor een aanzienlijk deel opgelost, ik heb meer energie, kan meer doen, slaap beter. Ook als ik soms weer slecht slaap heb ik toch meer energie dan ik altijd heb gehad. Het is heerlijk om meer energie te hebben, om meer van de dingen te kunnen doen die ik zo graag wil doen, om meer te kunnen doen zonder het gevoel te hebben dat ik mijzelf forceer, om niet meer moe te worden van alle gewone dagelijkse huishoudelijke taken en tijd en energie over te houden voor leuke dingen, voor een zinvolle invulling van mijn leven. Het is heerlijk om (relatief) actief te kunnen zijn. Ik functioneer nog steeds niet “normaal”, maar de verbetering is opvallend en ik ben er blij mee. En er zijn zelfs dagen dat ik bijna het gevoel heb dat ik “normaal” kan functioneren.

Terugkijkend lijkt het me dat de afschuw die ik van mijn lichaam heb gehad en mijn pogingen mijn lichaam te negeren, me altijd heel veel van mijn energie hebben gekost. Ik heb zo veel jaren lang geprobeerd “zonder lijf” te leven (en de “lichaamswerktherapieën” hebben dat eerder slechter dan beter gemaakt, ook al hadden die de pretentie mij “in mijn lijf” te laten leven) en nu is dat ineens niet meer nodig. Ik merk hoeveel meer energie ik heb nu ik vrede heb gesloten met mijn lijf, nu ik mijn lijf mooi en goed vind, nu ik erken dat het niet de schuld van mijn lichaam is wat ik heb doorgemaakt. Ik merk dat ik nu “met” lijf kan leven en dat maakt een ingrijpend verschil.

Ik blijf moeilijke momenten houden, en dagen dat ik me niet goed voel, en nachten dat ik niet slaap. Maar over het geheel genomen is er een duidelijke en blijvende verbetering, en kan ik een veel actiever leven leiden.

Mijn onbekendheid met seksualiteit, mijn gebrek aan seksuele gevoelens en angst voor seksueel contact blijven me wel bezighouden. Ik praat er met mijn vriendin Charlotte over, en die zegt dat seks, fijne seks, net zoiets is als knuffelen. Het doet me goed dat ze dat zegt, het geeft me wat vertrouwen, stelt me wat gerust — want knuffelen vind ik wel prettig. Een enkele keer heb ik nu ook dromen over prettige seksuele gevoelens, en ook dat stelt me gerust. Kennelijk zijn die gevoelens wel ergens, al kan ik ze als ik wakker ben nergens vinden.

Een gewoon leven

Het gaat steeds beter met slapen. Het gebeurt weliswaar steeds minder dat ik vier uur of meer doorslaap, maar ik slaap in ieder geval altijd twee uur achter elkaar en vaak drie uur, en inslapen gaat steeds beter. Ik lig niet meer uren wakker, ik val snel in slaap, elke nacht — een ongekende luxe. En als ik ’s nachts wakker word val ik daarna ook weer in slaap. Voor het eerst in meer dan twintig jaar krijg ik voldoende slaap. Ik maak meestal wel nachten van zeven of acht uur, ik voel me uitgerust en kan goed functioneren. Ik doe daarom steeds minder pogingen om het voor elkaar te krijgen om door te slapen — zoals het nu gaat is het goed genoeg. Therapie verdwijnt naar de achtergrond. Het dagelijks leven, met leuke en zinvolle activiteiten, gaat meer en meer van mijn aandacht en energie vragen. Dat kan nu eindelijk en dat doet mij intens goed. Daarvoor heb ik het tenslotte allemaal gedaan, die therapie.

Ik weet wel dat ik niet alle problemen heb opgelost. Er is het een en ander blijven liggen. Maar zo’n negentig procent van de problemen die ik had behoren inmiddels toch wel tot het verleden. Wat er zoal is blijven liggen zijn mijn problemen met doorslapen, mijn neiging om mijzelf overal de schuld van te geven, en het vermijden van televisie en films omdat ik niets kan verdragen wat met moord, wreedheid of seksualiteit te maken heeft. En mijn onvermogen om in seksuele gevoelens mee te gaan — dat kan ik een eindje, en dan gaat er ergens een deur dicht, voelt mijn lichaam helemaal leeg en komt er zo veel stress in mijn lijf dat ik de nacht erna niet slaap.

Misschien dat de problemen die nog zijn blijven liggen langzamerhand nog zullen bijtrekken. Of dat ik er later nog eens mee aan de slag kan gaan. Ik wil in ieder geval niet meer al mijn energie in therapie steken. Ik heb ook het gevoel dat dat nu geen zin heeft: de problemen die zijn blijven liggen heb ik serieus geprobeerd aan te pakken, maar ik heb er niet de goede ingang voor gevonden. Nog steeds heb ik het gevoel dat ik iets over het hoofd zie, dat ik iets niet heb gevonden in de therapie, iets niet heb afgerond. Het plaatje is niet helemaal compleet. Maar dat wat ontbreekt, kan niet echt iets belangrijks zijn, niet echt iets groots zijn, want het gaat goed met me. Goed genoeg in ieder geval. Misschien dat ik de ontbrekende stukjes ooit nog zal vinden, misschien ook niet. In ieder geval wil ik nu leven. Gewoon, een normaal dagelijks leven. Daar verlang ik zo intens naar en ik geniet er zo van dat dat nu lukt.

Ik heb energie om overdag dingen te doen. Ik geniet van mijn studie Psychologie aan de Open Universiteit, ik vind de leerstof boeiend en haal uitstekende resultaten. Deze studie geeft mij zelfvertrouwen — ik ben niet dom, zoals ik lang heb gedacht. Met pijn in het hart neem ik afscheid van de peuterspeelzaal waar ik jarenlang met veel plezier vrijwilligerswerk heb gedaan, ik ga als hulpverlener bij Slachtofferhulp werken — hulp bieden aan mensen die slachtoffer zijn geworden van een misdrijf of verkeersongeval, en begeleiding geven bij het verwerken van de eerste emoties en bij het indienen van aanvragen voor schadevergoeding. Dit werk is een nieuwe uitdaging waar ik zin in heb, en energie voor heb. Ik vind het werk bij Slachtofferhulp interessant, de trainingen in gespreksvoering en de cursussen over de theoretische achtergrond van slachtofferhulp leuk om te doen, en het contact met mijn collega’s inspirerend. Ik ben eerst wel bang dat het werk te veel van mijn eigen angsten en verleden zal oproepen en daardoor te belastend voor mij zal zijn, maar dat blijkt erg mee te vallen.

Ik merk ook dat mijn angst voor mannen behoorlijk minder is geworden. Ik kijk om me heen, zie mannen die ik leuk vind en knoop zelfs praatjes met hen aan — iets heel nieuws en onbekends voor mij. Ik voel zin en ruimte iets te gaan ondernemen om mijn verlangen naar een relatie invulling te geven. Als ik kijk naar de dingen die ik zoal doe, besef ik dat ik nergens nieuwe mensen tegenkom, dat ik in mijn normale dagelijkse bezigheden vrijwel geen kans heb een man te ontmoeten met wie ik een relatie zou kunnen krijgen.

Waar kan ik die mannen wel vinden? Ik realiseer me dat er elke zaterdag in de krant een pagina vol staat met berichtjes van mensen die ook een partner zouden willen ontmoeten (het tijdperk van de datingsites is nog niet aangebroken), en ik koop een krant. Er staan een heleboel leuke advertenties in van zo op het eerste gezicht aardige mannen. Ik schrijf op een paar advertenties en dat leidt tot een aantal ontmoetingen, leuke en minder leuke.

Soms loop ik bij deze ontmoetingen tegen oude angst en pijn op. Die probeer ik zo veel mogelijk door te werken. Ik hoop dat ik op deze manier uit zal komen waar ik uit wil komen: in staat te zijn tot een relatie. Als ik ineens weer niet slaap twijfel ik aan de haalbaarheid van deze onderneming, maar ik geef niet op. Sommige ontmoetingen zijn echt leuk — maar komen toch niet tot een relatie. Soms is er een tijd een contact dat het in zich lijkt te hebben iets te worden — maar uiteindelijk wordt het dat toch niet. Jammer, maar het was de moeite waard het te proberen. Er zijn ook onplezierige ontmoetingen. Daar weet ik niet altijd adequaat mee om te gaan, maar ik leer er veel van. Ik leer, met vallen en opstaan, dat ik niet per se antwoord hoef te geven als iemand mij vragen stelt. Ik leer dat ik zelf mag bepalen hoeveel informatie ik over mijzelf wil prijsgeven. Ik leer met schade en schande om niet iedereen te vertrouwen. Ik leer om mijn gevoelens serieus te nemen. Ik leer om niet te denken dat het nog wel wat kan worden met iemand met wie het niet klikt en bij wie mijn gevoel “nee” zegt ook al is hij heus wel aardig. Ik leer steeds beter om eerlijk te zijn en “nee” te zeggen, al blijft dat een van de moeilijkste dingen voor mij.

Dan ontmoet ik iemand die ik erg leuk vind. Een lieve, wijze, intelligente, rustige, humorvolle man op wie ik verliefd word. We wonen ver uit elkaar, en een tijd lang zien we elkaar alleen in weekenden en vakanties. Het is fijn om samen te zijn, heerlijk om van elkaar te houden. Een bijzondere, nieuwe ervaring voor mij. David en ik maken plannen om te gaan samenwonen.

Een stom auto-ongelukje waarbij ik een klap tegen mijn hoofd krijg, gooit nog roet in het eten. Het lijkt een hersenschudding — hoofdpijn, geen geluid en licht kunnen verdragen, misselijk. Maar het gaat niet over. De huisarts stuurt mij door naar een neuroloog. Die kan geen neurologisch probleem vinden (mijn knie- en andere reflexen doen het uitstekend, tja, dat had ik hem van tevoren ook wel kunnen vertellen). De neuroloog zegt dat ik geen hersenschudding heb, en “dus is er fysiek niets aan de hand en zit het tussen uw oren”. Nou heb ik ruime ervaring met psychosomatische klachten, en ik weet heel zeker dat ik nu een fysiek probleem heb en niet iets psychosomatisch. Het is kennelijk geen hersenschudding, maar wat dan wel?

Omdat ik niet meer in staat ben voor mijzelf te zorgen, blijf ik bij David. Zijn huisarts stelt uiteindelijk de goede diagnose: er is iets misgegaan met de wervels in mijn nek. Een manueel therapeut krijgt de wervels weer op de goede plek en de op hol geslagen spieren eromheen weer in het gareel, en de klachten verdwijnen. De hele ziekteperiode duurt bijna een jaar, maar het komt weer goed. En ondertussen zijn David en ik gaan samenwonen.

Mijn grootste wens gaat in vervulling: ik ben zwanger. Er groeit een klein mensje in mijn buik. Ik ben intens gelukkig. Thomas wordt geboren in 2001, een gezond, prachtig jongetje. Een wonder. Ik ben moeder. Thomas, David en ik zijn een gezin. Ook al gaat niet alles van een leien dakje, ik geniet met volle teugen. Ik geniet ervan voor Thomas te zorgen, ik geniet ervan Thomas bij me te dragen in de draagzak, ik geniet ervan hem borstvoeding te geven, ik geniet van zijn kleine, tevreden geluidjes bij het drinken. Ik geniet ervan liedjes voor hem te zingen, hem met David te zien spelen, hem te horen lachen, te zien hoe hij gretig de wereld verkent, hem te troosten als hij huilt. Ik vind het heerlijk dat Thomas er is. Met z’n drieën zijn vervult mij met een diepe vreugde.

Al mijn geknok heeft zin gehad. Het was zwaar, maar het was het waard. Ik ben Alice Miller, Konrad Stettbacher en Jean Jenson innig dankbaar — en geef mijzelf zowaar ook een schouderklopje. Ik leef, ik heb een man van wie ik houd en een kind van wie ik houd. Dit is waar ik het allemaal voor heb gedaan, en ik heb het goed gedaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s